ECLI:NL:RBROT:2026:1352

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/10/707697 / FA RK 25-7457
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot terugverhuizing en vaststelling hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen ouders over de woonplaats van hun minderjarige kind en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vrouw was met het kind verhuisd naar een andere plaats zonder toestemming van de man, die bezwaar maakte tegen deze verhuizing. De rechtbank oordeelde dat de vrouw onvoldoende noodzaak had aangetoond voor de verhuizing en dat de belangen van het kind prevaleerden bij het opgroeien in nabijheid van beide ouders.

De rechtbank beval de vrouw binnen drie maanden terug te verhuizen naar een woning binnen een straal van 15 kilometer van de woning van de man. Indien de vrouw niet aan dit bevel voldoet, wordt de hoofdverblijfplaats van het kind bij de man vastgesteld. Bij terugverhuizing binnen de gestelde afstand wordt de hoofdverblijfplaats bij de vrouw bepaald. Tevens stelde de rechtbank een zorgregeling vast waarbij het kind afwisselend twee dagen/nachten bij elke ouder verblijft, met een regeling voor vakanties en feestdagen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om continuïteit in de zorg en duidelijkheid over de woonplaats te waarborgen. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het hoger beroep staat open bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de vrouw binnen drie maanden terug te verhuizen binnen 15 kilometer van de woning van de man en stelt de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van de minderjarige vast.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707697 / FA RK 25-7457
Beschikking van 2 februari 2026 over de (terug)verhuizing, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [plaatsnaam 1] ,
advocaat mr. J.S. Bijsterbosch te Maasdijk,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven te [plaatsnaam 1] ,
feitelijk verblijvende te [plaatsnaam 2] ,
advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 20 november 2025;
  • het bericht van de man met bijlage van 18 december 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen op 28 december 2025;
  • het verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 5 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

2.De verdere vaststaande feiten

2.1.
Bij voorlopige voorziening van 20 november 2025 is de minderjarige aan de vrouw toevertrouwd voor de duur van de procedure en is een voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) bepaald. De minderjarige verblijft, conform die regeling, iedere woensdag van 10:00 uur tot en met donderdag 16:00 uur en iedere zondag van 10:00 uur tot 16:00 uur bij de man. Partijen verdelen het halen en brengen van de minderjarige bij helfte.

3.De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
De verzoeken
3.1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen hun verzoeken gewijzigd en over en weer bezwaar gemaakt tegen de wijziging door de andere partij. De man wil zijn primaire en subsidiaire verzoeken omdraaien (primair wordt subsidiair en subsidiair wordt primair). De vrouw wil dat haar verzoek om te bepalen dat de minderjarige hoofdverblijfplaats heeft bij haar, zo wordt begrepen dat zij ook vervangende toestemming vraagt om met de minderjarige te verhuizen naar [plaatsnaam 2] .
3.1.2.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist om deze wijzigingen toe te staan, omdat van strijd met de eisen van een goede procesorde geen sprake is. Wat betreft de wijziging door de man zijn de verzoeken niet inhoudelijk aangepast, zodat de wederpartij in zoverre niet in haar procesbelangen is geschaad. Wat betreft de wijziging door de vrouw merkt de rechtbank op dat deze procedure gericht is op de woonplaats van de minderjarige. De verhuizing naar [plaatsnaam 2] is ook in de voorlopige voorziening tussen partijen aan de orde geweest. Verder is voor zowel de bepaling van de hoofdverblijfplaats als een verzoek tot vervangende toestemming artikel 1:253a BW het toepasselijke kader. Het toetsingskader van de verzoeken verandert door de wijzigingen dan ook niet.
3.1.3.
De man verzoekt uiteindelijk:
primair:
III. de vrouw te bevelen binnen één week na de door de rechtbank te wijzen beschikking te verhuizen naar een woning of appartement in [plaatsnaam 1] , althans naar een woning of appartement binnen een straal van 15 kilometer van de woning gelegen aan de [adres] ;
IV. te bepalen dat de vrouw, zonder toestemming van de man, wordt verboden te verhuizen naar een andere woonplaats buiten een straal van 10 kilometer van de woning gelegen aan de [adres] ;
V. te bepalen dat in het geval de vrouw niet met de minderjarige terugverhuist, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bepaald bij de man en zij op het adres van de man wordt ingeschreven in de BRP;
VI. aan het voorgaande een dwangsom te verbinden van € 500,- voor iedere dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;
VII. een reguliere zorgregeling voor de man vast te stellen zoals genoemd onder randnummer 30 en 32 van het verzoekschrift, althans een regeling zoals de rechtbank passend acht in het belang van de minderjarige;
subsidiair:
I. te bepalen dat de minderjarige haar hoofdverblijf heeft bij de man en op het adres van de man wordt ingeschreven in de BRP;
II. een reguliere zorgregeling voor de vrouw vast te stellen zoals genoemd onder randnummer 30 en 32 van het verzoekschrift, althans een regeling zoals de rechtbank passend acht in het belang van de minderjarige;
meer subsidiair:
VIII. een zorgregeling tussen de man en de minderjarige vast te stellen zoals genoemd onder randnummer 30 en 32 van het verzoekschrift;
en zowel primair, subsidiair en meer subsidiair te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.1.4.
De vrouw verzoekt uiteindelijk:
I. te bepalen dat de minderjarige hoofdverblijf heeft bij de vrouw en op het adres van de vrouw wordt ingeschreven in de BRP en dat aan de vrouw vervangende toestemming wordt gegeven om met de minderjarige naar [plaatsnaam 2] te verhuizen;
II. een reguliere zorgregeling voor de man vast te stellen voor zolang de minderjarige nog niet naar (de voor)school gaat, voor iedere woensdag van 10:00 uur tot en met donderdag 16:00 uur en iedere zondag van 10:00 uur tot en met 16:00 uur, waarbij partijen het halen en brengen zullen verdelen bij helfte.
3.2.
De (terug)verhuizing en de hoofdverblijfplaats
3.2.1.
De vrouw is bij het einde van de affectieve relatie tussen partijen met de minderjarige – toen zij ongeveer een half jaar oud was –, uit de woning van partijen in [plaatsnaam 1] vertrokken naar [plaatsnaam 2] . De vrouw zou daar tijdelijk bij haar moeder verblijven en de man heeft daar in eerste instantie geen bezwaar tegen geuit. De vrouw wil zich nu definitief in [plaatsnaam 2] vestigen.
3.2.2.
Voor zover de vrouw aanvoert dat zij al toestemming had en zij geen (vervangende) toestemming nodig heeft, merkt de rechtbank op dat niet gebleken is dat de man toestemming heeft gegeven voor zo’n verhuizing. De verplaatsing naar [plaatsnaam 2] betreft een gezagsbeslissing die gevolgen heeft voor de toekomst van de minderjarige en haar contact met haar ouders. De man verzet zich tegen de verhuizing van de minderjarige.
3.2.3.
De vraag of de vrouw zich mag vestigen in [plaatsnaam 2] of dat zij met de minderjarige moet terugverhuizen naar (de omgeving van) [plaatsnaam 1] zoals de man heeft verzocht, moet door de rechtbank aan de hand van het volgende juridisch kader worden beantwoord.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag over de (terug)verhuizing staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar moet de rechter naar vaste rechtspraak bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen.
3.2.4.
Tegenover het belang van een ouder om de gelegenheid te krijgen met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • een goede voorbereiding van de verhuizing;
  • het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg.
3.2.5.
Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen als de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.
3.2.6.
De vrouw heeft aangevoerd dat zij in [plaatsnaam 2] wil wonen, omdat zij daar een ondersteunend netwerk heeft van familie en vrienden. De vrouw zegt met [plaatsnaam 1] en omgeving geen binding te hebben. Daarnaast staat de vrouw al enige tijd bij de woningbouwvereniging in [plaatsnaam 2] ingeschreven, zodat het waarschijnlijker is dat zij daar op korte termijn een sociale huurwoning verkrijgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de noodzaak om naar [plaatsnaam 2] te verhuizen hiermee onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft de afgelopen jaren in (de omgeving van) [plaatsnaam 1] gewoond en gewerkt. Dat zij onder de huidige omstandigheden – na het beëindigen van de relatie met de man – liever in [plaatsnaam 2] woont, is een begrijpelijke wens, maar maakt nog niet dat sprake is van een noodzaak om naar daar te verhuizen. Daar komt bij dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard dat zij de mogelijkheden om in (de omgeving van) [plaatsnaam 1] te (blijven) wonen nooit heeft onderzocht. De man heeft bovendien aangeboden zijn eigen woning tijdelijk en tegen een vergoeding aan de vrouw ter beschikking te stellen, in afwachting van een andere woning. Als het de vrouw niet lukt een andere woning te vinden, dan is de vader van de man bereid een passende woning te kopen die de vrouw kan gaan huren, aldus de man. Ook zegt de man via zijn werk mensen te kennen die woningen verhuren, zodat hij op die manier de vrouw zou kunnen helpen met het verkrijgen van een woning. Al het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de noodzaak voor de vrouw om te verhuizen naar [plaatsnaam 2] niet is komen vast te staan.
3.2.7.
Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de verhuizing naar [plaatsnaam 2] door de vrouw niet goed voorbereid. De vrouw is in de zomer van 2025 vertrokken naar [plaatsnaam 2] en sindsdien verblijft zij noodgedwongen bij haar moeder. Zij heeft nog geen concreet zicht op een eigen woning.
3.2.8.
Voor de verdeling van de zorgtaken heeft een verhuizing naar [plaatsnaam 2] naar het oordeel van de rechtbank te grote gevolgen. In de huidige levensfase van de minderjarige – zij is net één jaar oud – is frequent fysiek contact met beide ouders belangrijk voor de hechting. De raad benoemde tijdens de mondelinge behandeling een wenselijke frequentie van vier keer per week. De reistijd van [plaatsnaam 1] naar [plaatsnaam 2] (met de auto minimaal anderhalf uur per enkele reis) maakt dat in feite onmogelijk. Ook de raad heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling haar zorgen naar voren bracht. Dat geldt niet alleen voor partijen, maar vooral voor de minderjarige die daardoor veel moet reizen. Dat de vrouw aangeeft dat zij bereid is mee te denken met en tegemoet te komen aan de man, maakt dit niet anders. Aan de reistijd kan zij immers niets veranderen. De rechtbank acht in dit kader ook relevant dat de man een sterke wens heeft geuit om de zorgtaken gelijkwaardig te verdelen. Dat is zeker in de toekomst, als de minderjarige naar school gaat, vrijwel onmogelijk als de vrouw in de omgeving van [plaatsnaam 2] blijft wonen.
3.2.9.
De rechtbank is kortom van oordeel dat het belang van de minderjarige om op te groeien in nabijheid van haar beide ouders, prevaleert boven de wens van de vrouw om in [plaatsnaam 2] te gaan wonen. Aan de vrouw wordt daarom geen vervangende toestemming gegeven om met de minderjarige naar [plaatsnaam 2] te verhuizen. Het verzoek van de man om de vrouw te bevelen te verhuizen naar een woning in de buurt van zijn woning in [plaatsnaam 1] , wordt toegewezen. De straal waarbinnen die woning of dat appartement moet zijn gelegen, bepaalt de rechtbank op 15 kilometer. Dat is volgens de advocaat van de man, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, de maximale afstand waarbinnen partijen op gelijke voet invulling kunnen geven aan het ouderschap. De vrouw heeft hiertegen geen specifiek verweer gevoerd. De termijn waarbinnen de vrouw dient te verhuizen bepaalt de rechtbank op drie maanden na de datum van deze beschikking. De rechtbank wijst de vrouw erop dat het haar vrij staat om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheden die de man heeft aangeboden om een passende woonruimte te vinden.
3.2.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens de man verklaard dat zijn verzoek om te bepalen dat de vrouw, zonder zijn toestemming, wordt verboden te verhuizen naar een andere woonplaats buiten bovengenoemde straal (primair onder IV.), komt te vervallen als het bevel tot (terug)verhuizing wordt toegewezen. Nu dit laatste het geval is, wordt aan behandeling van genoemd verzoek niet toegekomen.
3.2.11.
De man heeft geen bezwaar tegen het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw als zij (terug)verhuist naar (de omgeving van) [plaatsnaam 1] . Omdat het daarop gerichte verzoek van de man wordt toegewezen, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw bepalen vanaf het moment dat zij woont binnen een straal van 15 kilometer van de woning van de man. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Dit betekent dus dat als de vrouw terugverhuist binnen de genoemde afstand van de woning van de man, de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De rechtbank zal het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man bepalen voor het geval de vrouw niet binnen drie maanden na de datum van deze beschikking met de minderjarige terugverhuist.
3.2.12.
De rechtbank ziet geen belang bij het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de minderjarige op haar adres wordt ingeschreven in de BRP. De vrouw heeft dit verzoek niet gemotiveerd en er is geen aanleiding te veronderstellen dat de man – indien dit door de gemeente wordt vereist – aan de inschrijving niet zal meewerken. Dit deel van het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. Ook de man heeft geen belang bij zijn verzoek om inschrijving van de minderjarige op zijn adres, omdat zij daar op dit moment al ingeschreven staat.
3.2.13.
Wat betreft de door de man verzochte dwangsom merkt de rechtbank het volgende op. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij er in dat geval alles aan zal doen om bij de minderjarige in de buurt te komen wonen. Het opleggen van een dwangsom aan de vrouw acht de rechtbank dan ook niet nodig.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De man heeft een zorgregeling verzocht waarbij de minderjarige afwisselend twee aaneengesloten dagen/nachten bij de man en twee aaneengesloten dagen/nachten bij de vrouw verblijft. De vrouw verzoekt de voorlopige zorgregeling die bij voorlopige voorziening is bepaald, definitief vast te stellen, tot het moment dat de minderjarige naar de (voor)school gaat. Met betrekking tot de kerstvakantie vraagt de man te bepalen dat de minderjarige de eerste week bij de ene ouder verblijft en de tweede week (inclusief oud en nieuw) bij de andere ouder en dat jaarlijks om te wisselen, waarbij iedere ouder één kerstdag met de minderjarige heeft. Daarnaast hebben volgens het verzoek van de man beide ouders gedurende de zomervakantie tien aaneengesloten dagen met de minderjarige en worden belangrijke dagen zoals de verjaardag van de minderjarige, Vaderdag, Moederdag, Sinterklaas en Koningsdag bij helfte verdeeld, jaarlijks om te wisselen. De vrouw heeft geen specifieke vakantie/feestdagenregeling verzocht.
3.3.2.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen.
3.3.3.
De (reguliere) zorgregeling die de man verzoekt past het meest bij het door de raad geadviseerde contact met beide ouders, namelijk fysiek en zo frequent mogelijk. Er staat, omdat de vrouw wordt bevolen (terug) te verhuizen naar een plek in de buurt van de woning van de man, ook niets in de weg aan een gelijke verdeling van de zorg voor de minderjarige. De vrouw heeft hierover alleen aangevoerd dat partijen zijn gebaat bij een verbetering van de communicatie. Beide partijen hebben zich tijdens de mondelinge behandeling bereid verklaard daarvoor professionele hulpverlening in te schakelen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hier ook toe overgaan en zich daarvoor aanmelden bij het wijkteam.
3.3.4.
Over de vakantie/feestdagen regeling die de man verzoekt, is namens de vrouw alleen aangevoerd dat dit te vroeg is. De minderjarige is echter anderhalf jaar oud als de eerstvolgende zomervakantie plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de vast te stellen reguliere zorgregeling waarbij de minderjarige haar beide ouders veel ziet, de minderjarige in staat is om tien aaneengesloten dagen bij elk van haar ouders te verblijven. De rechtbank zal daarom een zorgregeling vaststellen zoals de man heeft verzocht. Conform het verzoek van de vrouw wordt bepaald dat partijen het halen en brengen van de minderjarige zullen verdelen bij helfte, nu dat het uitgangspunt is en de man daar geen verweer tegen heeft gevoerd.
3.3.5.
De rechtbank gaat er bij dit alles van uit dat de vrouw terugverhuist naar (de omgeving van) [plaatsnaam 1] . De
regulierezorgregeling zal ingaan over drie maanden, of zoveel eerder als de vrouw is terugverhuisd. Tot die tijd loopt de voorlopige zorgregeling door, zoals die is bepaald in de voorlopige voorzieningen.
3.4.
Overige verzoeken
3.4.1.
Gelet op bovenstaande beslissingen, wordt aan de subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken van de man niet meer toegekomen.
3.5.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.5.1.
De man heeft verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Uitvoerbaar bij voorraad wil zeggen dat de beschikking ten uitvoer kan worden gelegd, ook wanneer tegen de beschikking hoger beroep wordt ingesteld.
3.5.2.
De vrouw heeft hiertegen geen op zichzelf staand verweer gevoerd.
3.5.3.
Omdat de rechtbank het voor de minderjarige belangrijk vindt dat partijen op korte termijn invulling gaan geven aan de bij deze beschikking vast te stellen zorgregeling en daarmee aan het gezamenlijk ouderschap, wordt deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het belang van duidelijkheid over de woonplaats van de vrouw en continuïteit van de zorgregeling weegt zwaarder dan het belang van de vrouw bij behoud van de bestaande toestand tot op een eventueel rechtsmiddel (hoger beroep) is beslist.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beveelt de vrouw om binnen drie maanden na de datum van deze beschikking te verhuizen naar een woning gelegen binnen een straal van 15 kilometer vanaf de woning van de man te [adres] ;
4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn vanaf het moment dat zij aan het bevel onder 4.1. heeft voldaan;
4.3.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn als de vrouw niet binnen drie maanden na de datum van deze beschikking aan het bevel onder 4.1. heeft voldaan;
4.4.
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn gedurende twee aaneengesloten dagen/nachten per elke vier dagen/nachten, waarbij:
  • de minderjarige in de kerstvakantie de eerste week bij de ene ouder verblijft en de tweede week (inclusief oud en nieuw) bij de andere ouder, jaarlijks om te wisselen, en iedere ouder één kerstdag met de minderjarige heeft;
  • de minderjarige in de zomervakantie tien aaneengesloten dagen bij iedere ouder verblijft;
  • belangrijke dagen zoals de verjaardag van de minderjarige, Vaderdag, Moederdag, Sinterklaas en Koningsdag door partijen bij helfte worden verdeeld, jaarlijks om te wisselen;
  • partijen het halen en brengen van de minderjarige zullen verdelen bij helfte;
  • de
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter en (kinder)rechter,
mr. S.A. van Egmond en mr. M. van der Veer, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 2 februari 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.