Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw D. Rodrigues, werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
- [naam], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster);
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 11 november 2025 en stond gepland voor 22 januari 2026.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie, omdat de ontruiming dreigt plaats te vinden. Verzoekster is gestart met schuldhulpverlening en heeft een inkomen dat voldoende is om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur voor december 2025 en januari 2026 is betaald en er is budgetbeheer ingesteld.
Verweerster, de verhuurder, heeft geen bezwaar tegen de toewijzing van het verzoek, mits de huur tijdig wordt voldaan. De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en haar schulden wil saneren, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog loopt. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald.