ECLI:NL:RBROT:2026:1325

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/10/702730 / HA ZA 25-562
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:298 BWArt. 69 RvArt. 6:162 BWArt. 6:167 BWArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag bestuurder en geschil over benoeming bestuurders binnen stichting

De zaak betreft een intern conflict binnen Stichting [naam stichting], waarbij eiseres vordert dat gedaagde als bestuurder wordt ontslagen wegens schending van statutaire en wettelijke verplichtingen. Tevens vordert eiseres de uitschrijving van vier nieuwe bestuurders uit het handelsregister en een rectificatie van onjuiste uitlatingen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot ontslag van een bestuurder volgens artikel 2:298 BW Pro via een verzoekschriftprocedure moet worden behandeld en verwijst deze vordering dienovereenkomstig. De inhoudelijke beoordeling van dit ontslagverzoek en de daarmee samenhangende uitschrijving van gedaagde als bestuurder blijft daarom achterwege.

De benoemingsbesluiten van de vier nieuwe bestuurders zijn rechtsgeldig genomen, waarbij de voorzitter bevoegd was de vergaderingen bijeen te roepen en zij als enige stemgerechtigde aanwezig was. De vordering tot uitschrijving van deze bestuurders wordt daarom afgewezen. De rectificatievordering faalt omdat de uitlatingen van gedaagde binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting blijven en niet onrechtmatig zijn jegens eiseres.

Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot ontslag van bestuurder wordt verwezen naar verzoekschriftprocedure; overige vorderingen tot uitschrijving en rectificatie worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/702730 / HA ZA 25-562
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [woonplaats 1]
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S.W. van Zijll,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.F.Y. Yuen.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn bestuurders van Stichting [naam stichting] . [eiseres] vordert dat [gedaagde] als bestuurder wordt ontslagen, stellende dat [gedaagde] zich niet heeft gedragen als een redelijk handelend bestuurder door haar statutaire en wettelijke verplichtingen te schenden. Daarnaast stelt [eiseres] dat de besluiten ten aanzien van de benoeming van vier nieuwe bestuurders niet rechtsgeldig zijn genomen en vordert zij daarom de uitschrijving van deze bestuurders uit het handelsregister van de KvK. Tot slot stelt [eiseres] een rectificatievordering in jegens [gedaagde] , omdat [gedaagde] onrechtmatig tegenover haar zou hebben gehandeld door onjuiste en grievende uitlatingen over haar te doen.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat de kwestie ten aanzien van het ontslag van [gedaagde] moet worden beoordeeld in een verzoekschriftprocedure. Ten aanzien van de uitschrijving van de nieuwe bestuurders concludeert de rechtbank dat de benoemingsbesluiten rechtsgeldig zijn genomen, zodat er geen grond is voor het uitschrijven van deze bestuurders. Tot slot wordt de rectificatievordering afgewezen, omdat hier onvoldoende grond voor bestaat.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties 1 tot en met 33;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 10;
- de aanvullende producties 11 en 12 van gedaagde;
- de aanvullende productie 13 van gedaagde;
- de akte overlegging aanvullende producties van eiser, met productie 34;
- de brief van de rechtbank, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de email van de rechtbank met daarin een zittingsagenda;
- de brief van [gedaagde] aan de rechtbank van 22 december 2025 in reactie op de zittingsagenda;
- de brief van [eiseres] aan de rechtbank van 8 januari 2026 in reactie op de zittingsagenda;
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026;
- de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiseres] ;
- de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagde] ; en
- de e-mails van partijen, waaruit volgt dat partijen geen minnelijke hebben getroffen.
2.2.
Partijen hebben tot slot om vonnis gevraagd.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn bestuurders van Stichting [naam stichting] (hierna: de stichting). De stichting heeft tot doel om de culturele en economische belangen van vrouwen uit de [naam land] in de Europese Unie te behartigen.
3.2.
Binnen het bestuur van de stichting vervult [eiseres] de functie van penningmeester en [gedaagde] de functie van voorzitter en secretaris.
3.3.
De stichting heeft geen raad van toezicht.
3.4.
De communicatie van de stichting verloopt via een groepsgesprek op WeChat. WeChat is een online sociaal netwerk en chatapp van een Chinees bedrijf, vergelijkbaar met een combinatie van Facebook en Whatsapp. Naast [eiseres] en [gedaagde] nemen ook donateurs van en betrokkenen bij de stichting deel aan het groepsgesprek.
3.5.
Artikel 5 lid 1 en Pro lid 2 van de statuten van de stichting schrijven het volgende voor met betrekking tot de samenstelling van het bestuur:
Lid 1:

Het bestuur bestaat uit één of meer natuurlijke personen. Indien het bestuur uit meer personen bestaat, wijzen deze uit hun midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester, dan wel in de plaats van de beide laatsten een secretaris-penningmeester, aan.”
Lid 2:

De bestuurders worden benoemd door het bestuur. Het bestuur stelt tevens het aantal bestuurders vast. [..] Een niet-voltallig bestuur behoudt zijn bevoegdheden.”
Lid 3:

Bestuurders worden benoemd voor onbepaalde tijd.”
3.6.
Artikel 8 lid Pro 1, lid 2 en lid 6 van de statuten van de stichting schrijven het volgende voor met betrekking tot (de bijeenroeping van) bestuursvergaderingen:
Lid 1:

De voorzitter alsmede ten minste twee van de overige bestuurders gezamenlijk zijn gelijkelijk bevoegd een vergadering van het bestuur bijeen te roepen.”
Lid 2:

De bijeenroeping van de vergaderingen van het bestuur geschiedt (..) schriftelijk, met inachtneming van een termijn van ten minste zeven dagen, de dag van bijeenroeping en die van de vergadering niet meegerekend, onder opgave van de te behandelen onderwerpen.”
Lid 6 :

In de vergaderingen van het bestuur heeft iedere bestuurder één stem. Voorzover in deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden alle besluiten van het bestuur genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.”
3.7.
Op 12 augustus 2024 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden. In die vergadering presenteerde [gedaagde] een door haar opgestelde lijst met namen van tien te benoemen bestuurders. Ook maakte [gedaagde] ter vergadering bekend dat zij heeft besloten [persoon A] (hierna: [persoon A] ) als nieuwe voorzitter aan te wijzen.
3.8.
Op 14 augustus 2024 heeft [eiseres] in het groepsgesprek onder andere laten weten dat de benoeming van bestuurders eerst door het bestuur moet worden besproken en dat daartoe niet kan worden besloten door één bestuurder.
3.9.
Op 15 februari 2025 heeft [gedaagde] via WeChat de deelnemers van het groepsgesprek uitgenodigd voor een bestuursvergadering op 24 februari 2025. Op de agenda stond de verkiezing van de volgende voorzitter van de stichting.
3.10.
Op 19 februari 2025 heeft [eiseres] via haar advocaat een sommatiebrief aan [gedaagde] verzonden, waarin [gedaagde] is gesommeerd om (i) haar voorzitterschap per direct neer te leggen en over te dragen aan [eiseres] , (ii) haar registratie als bestuurder bij de KvK in te trekken, (iii) de onrechtmatige benoeming van [persoon A] als nieuwe voorzitter te rectificeren en (iv) openbare verontschuldiging te richten aan de betrokkenen voor de door haar handelen ontstane verwarring en gevolgen.
3.11.
Op 24 februari 2025 heeft de bestuursvergadering plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] en in totaal 28 anderen aanwezig waren. [eiseres] was niet aanwezig ter vergadering. Na de vergadering heeft [gedaagde] de volgende personen ingeschreven als bestuursleden van de stichting in het handelsregister van de KvK: (i) [persoon A] , (ii) [persoon B] (hierna: [persoon B] ) en (iii) [persoon C] (hierna: [persoon C] ).
3.12.
Op 2 maart 2025 heeft [gedaagde] via WeChat de deelnemers van het groepsgesprek uitgenodigd voor een bestuursvergadering van 10 maart 2025.
3.13.
Op 10 maart 2025 heeft deze bestuursvergadering plaatsgevonden, waar [gedaagde] en in totaal 26 anderen bij aanwezig waren. [eiseres] was niet aanwezig ter vergadering. Ter vergadering is opnieuw besloten om [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] te benoemen als bestuurders en is tevens besloten om [persoon D] (hierna: [persoon D] ) te benoemen als nieuwe bestuurder. [gedaagde] heeft [persoon D] ingeschreven als bestuurder van de stichting bij de KvK.
3.14.
[eiseres] heeft een bezwaarschrift ingediend bij de KvK in verband met de inschrijvingen van voornoemde vier nieuwe bestuurders.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] als bestuurder ontslaat;
II. [gedaagde] gebiedt zich uit te schrijven als bestuurder van de stichting in het handelsregister van de KvK op straffe van een dwangsom;
III. [gedaagde] beveelt zorg te dragen voor de uitschrijving uit het handelsregister van de KvK van de volgende personen als bestuurders van de stichting: [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] op straffe van een dwangsom;
IV. [gedaagde] veroordeelt en beveelt om een rectificatie in de Nederlandse en de Chinese taal, met de volgende inhoud, voor zover van belang:
DIT IS EEN RECTIFICATIE:
In recente berichten heb ik, [gedaagde] , onjuiste en onrechtmatige uitspraken gedaan over bestuurder [eiseres] . Ik heb onjuiste feiten verspreid die de eer en goede naam van bestuurder [eiseres] hebben geschaad en hem onheus bejegend.
Ik erken dat deze uitlatingen onjuist waren en bied hierbij mijn oprechte excuses aan bestuurder [eiseres] voor het veroorzaken van schade aan haar reputatie als bestuurder.”
te plaatsen en een openbaar excuus aan te bieden aan [eiseres] via het groepsgesprek, op straffe van een dwangsom; en
V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Het ontslag van [gedaagde] moet in een verzoekschriftprocedure worden behandeld
5.1.
Vordering I is gebaseerd op artikel 2:298 BW Pro lid 1 BW, op grond waarvan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie een bestuurder van een stichting kan ontslaan. Zoals al aangekondigd in de zittingsagenda, moet de rechtbank beoordelen of de procedure voor wat betreft deze vordering op grond van artikel 69 Rv Pro moet worden voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure. Artikel 69 Rv Pro schrijft voor dat de rechter, indien een zaak bij verzoekschrift aanhangig is gemaakt, waar dat bij dagvaarding had moeten plaatsvinden, of omgekeerd, de zaak naar de juiste procedure dient te verwijzen. [gedaagde] meent dat dit het geval is. In geval van voortzetting volgens de regels van de verzoekschriftprocedure zijn er volgens haar nog 31 belanghebbenden die opgeroepen wensen te worden om verweer te voeren. Ook wil zij in dat geval een tegenverzoek indienen tot ontslag van [eiseres] als bestuurder. [eiseres] refereert zich voor wat betreft het spoor waarin de procedure over deze vorderingen zal worden voortgezet aan het oordeel van de rechtbank.
5.2.
Uit artikel 2:298 BW Pro volgt dat een verzoek tot ontslag van een bestuurder bij verzoekschrift moet worden ingeleid. Daarom verwijst de rechtbank de zaak voor wat betreft vordering I, die betrekking heeft op het verzoek tot ontslag van [gedaagde] , op de voet van artikel 69 Rv Pro naar de verzoekschriftprocedure en bepaalt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
5.3.
Op grond van artikel 69 lid 1 Rv Pro zal de rechtbank [eiseres] bevelen om binnen vier weken na de datum van dit vonnis aan de rechtbank te laten weten welke belanghebbenden bij het verzoek betrokken zijn en toe te lichten op welke wijze deze personen een belang hebben, zodat de griffier hen kan oproepen (zie artikel 1.4.2 Landelijk procesreglement). [eiseres] dient hiervan kopie aan [gedaagde] te sturen. Omdat [gedaagde] al in de procedure is verschenen, staat het haar vrij ook opgave te doen van eventueel andere belanghebbenden. Partijen dienen voor het overige instructies van de rechtbank over het vervolg van de verzoekschriftprocedure af te wachten.
5.4.
De rechtbank komt in dit vonnis dus niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot ontslag van [gedaagde] als bestuurder (vordering I). Dat betekent dat alle stellingen van [eiseres] die aan deze vordering ten grondslag zijn gelegd, waaronder die met betrekking tot een mogelijk tegenstrijdig belang, in dit vonnis niet aan de orde komen. Dit geldt ook voor de met de vordering tot ontslag samenhangende vordering tot uitschrijving van [gedaagde] als bestuurder uit het handelsregister van de KvK (vordering II). Zolang [gedaagde] immers niet als bestuurder is ontslagen, is er ook geen grond om haar te verplichten zich uit te schrijven. De overige vorderingen worden wel inhoudelijk behandeld in deze dagvaardingsprocedure.
Geen grond voor de uitschrijving van overige bestuurders van de stichting bij de KvK
5.5.
Vordering III ziet op de uitschrijving van de bestuurders [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] uit het handelsregister van de KvK en is gebaseerd op [eiseres] ’s stelling dat er geen rechtsgeldige bestuursbesluiten aan de benoeming van deze nieuwe bestuurders ten grondslag liggen.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn het besluit tot benoeming van [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] (genomen op de vergadering van 24 februari 2025) en het besluit tot benoeming van [persoon D] (genomen op de vergadering van 10 maart 2025) als bestuurders van de stichting rechtsgeldig genomen. Om die reden is er geen grond is voor hun uitschrijving bij de KvK. De rechtbank motiveert dat als volgt.
5.7.
Vast staat dat [gedaagde] binnen het bestuur van de stichting de positie van voorzitter vervult. Artikel 8 lid 1 van Pro de statuten bepaalt dat een bestuursvergadering kan worden bijeengeroepen door “de voorzitter, alsmede ten minste twee van de overige bestuurders gezamenlijk”. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat, gelet op deze bepaling, [gedaagde] niet bevoegd is om zelfstandig een bestuursvergadering bijeen te roepen. Volgens [eiseres] is de voorzitter alleen samen met een andere bestuurder bevoegd een bestuursvergadering bijeen te roepen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Artikel 8 lid 1 van Pro de statuten moet taalkundig zo worden gelezen dat de voorzitter zelfstandig en twee van de overige bestuurders gezamenlijk bevoegd zijn om bestuursvergaderingen bijeen te roepen. [gedaagde] is voorzitter, zodat zij op dit punt in haar eentje bevoegd is.
5.8.
Op grond van artikel 8 lid 2 dient Pro de bijeenroeping van bestuursvergaderingen schriftelijk te geschieden met inachtneming van een termijn van ten minste zeven dagen. [eiseres] heeft aanvankelijk gesteld dat niet is voldaan aan de in artikel 8 lid 2 voorgeschreven Pro oproepingstermijn. Van dat standpunt is zij ter zitting teruggekomen. Gelet op de feiten vermeld in 3.9 en 3.12 is dat terecht. Daarmee staat vast dat de vergaderingen tijdig zijn bijeengeroepen. Ten aanzien van het vereiste dat de bijeenroeping schriftelijk dient te gescheden, geldt dat de statuten dit niet nader omschrijven. Tussen partijen staat vast dat binnen het bestuur en de stichting gebruikelijk is dat er wordt gecommuniceerd via WeChat. Tussen partijen staat klaarblijkelijk niet ter discussie dat met een bijeenroeping via WeChat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat.
De conclusie van het voorgaande moet zijn dat de bestuursvergaderingen van 24 februari 2025 en 10 maart 2025 rechtsgeldig bijeen zijn geroepen.
5.9.
Besluitvorming vindt binnen het bestuur ingevolge artikel 8 lid 6 plaats Pro met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Tussen partijen staat vast dat tijdens de betreffende bestuursvergaderingen [gedaagde] als enige bestuurder aanwezig was en dat zij derhalve de enige bestuurder was die een (rechtsgeldige) stem heeft uitgebracht. De rechtbank merkt op dat op basis van de ingediende processtukken het beeld ontstaat dat ook andere personen dan de bestuurders (zoals de deelnemers van het groepsgesprek en de overige aanwezigen van de vergaderingen) in feite een rol speelden in de besluitvorming en zich uitlieten alsof ook zij stemrecht hadden. Dat is niet het geval. De enige met stemrecht tijdens de hier relevante vergaderingen was [gedaagde] . [eiseres] was immers niet aanwezig. De stem van [gedaagde] vertegenwoordigt dus 100% van de uitgebrachte stemmen. Vast staat dat [gedaagde] voor de benoeming van de hier bedoelde bestuurders heeft gestemd.
5.10.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de besluiten tot benoeming van [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] rechtsgeldig zijn genomen in de vergaderingen van 24 februari 2025 en 10 maart 2025. Nu de benoemingsbesluiten rechtsgeldig zijn, bestaat er geen grond voor de door [eiseres] gevorderde uitschrijving van de betreffende bestuurders bij de KvK.
Vordering III had niet tegen [gedaagde] , maar tegen de stichting moeten worden ingesteld
5.11.
Overigens merkt de rechtbank op dat [eiseres] vordering III niet tegen [gedaagde] in persoon, maar tegen de stichting had moeten instellen. [gedaagde] heeft bij de registratie van de vier nieuwe bestuurders in het handelsregister van de KvK immers gehandeld in haar hoedanigheid van bestuurder namens de stichting en dus niet op eigen titel. Indien de rechtbank tot een veroordeling tot uitschrijving van deze vier bestuurders zou zijn gekomen, had deze dus uitgesproken moeten worden jegens de stichting en niet tegen [gedaagde] in privé. De stichting is geen partij in deze procedure. Een eventuele oproeping van de stichting in het geding op grond van artikel 118 Rv Pro komt in dit geval niet aan de orde, omdat de vordering hoe dan ook niet toewijsbaar is.
Geen grond voor de gevorderde rectificatievordering
5.12.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] in haar berichten in het groepsgesprek op WeChat herhaaldelijk de indruk heeft gewekt dat [eiseres] het functioneren van de stichting negatief beïnvloedt door besluitvorming te frustreren en processen te belemmeren. Volgens [eiseres] zijn deze uitlatingen onjuist en beschadigend voor haar eer en goede naam, zodat [gedaagde] gehouden is tot rectificatie. [gedaagde] betwist dat zij onjuiste of misleidende feiten heeft verspreid en stelt dat haar uitlatingen betrekking hebben op feitelijke constateringen die met bewijsstukken kunnen worden onderbouwd. Volgens [gedaagde] ontbreekt er een juridische grondslag voor de gevorderde rectificatie en bovendien zou een rectificatie buitenproportioneel zijn.
5.13.
Een rectificatievordering kan op grond van artikel 6:162 BW Pro in verbinding met artikel 6:167 BW Pro worden toegewezen indien sprake is van onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard. Bij de beoordeling of een publicatie onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW Pro staan twee fundamentele rechten tegenover elkaar: enerzijds de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM Pro) en anderzijds het recht op bescherming van de eer en goede naam. De vordering van [eiseres] houdt een beperking in van [gedaagde] ’s recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt als dit bij wet is voorzien en dringend noodzakelijk is in een democratische samenleving (artikel 10 lid 2 EVRM Pro). De vraag die voorligt is dus [gedaagde] ’s uitlatingen in het licht van dit toetsingskader onrechtmatig zijn tegenover [eiseres] .
5.14.
Voor het antwoord op deze vraag moeten, op grond van alle omstandigheden van het geval, de wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bij deze afweging komt betekenis toe aan onder meer de aard van de uitlatingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de uitlatingen betrekking heeft, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in beschikbare feitenmateriaal, de wijze waarop de beschuldiging is vorm gegeven, alsmede de maatschappelijke positie van degene die de beschuldiging heeft geuit. Deze omstandigheden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld.
5.15.
De uitlatingen van [gedaagde] betreffen opmerkingen in een groepsgesprek op WeChat, waarin zij onder meer heeft gezegd dat [eiseres] zaken heeft bemoeilijkt, onzin heeft verteld en eigenwijs zou zijn. Hoewel deze uitlatingen voor [eiseres] onaangenaam of pijnlijk kunnen zijn, overschrijden deze opmerkingen naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hun aard en context, niet de grenzen van het toelaatbare. Het betreft uitlatingen die zijn gedaan tegen de achtergrond van bestaande meningsverschillen tussen [eiseres] en [gedaagde] over het reilen en zeilen van de stichting. De opmerkingen maakten deel uit van interne discussies binnen de stichting, gevoerd op het voor communicatie binnen de stichting gebruikelijke platform. In die discussies heeft ook [eiseres] zich kritisch uitgelaten over [gedaagde] . De uitlatingen zijn niet zodanig beledigend dat zij een aantasting van de eer en goede naam van [eiseres] vormen.
5.16.
Het is in dit verband ongelukkig dat partijen hun onderlinge geschil uitvechten in een groepsgesprek op WeChat in het bijzijn van vele andere deelnemers aan dat groepsgesprek, in plaats van deze kwesties onderling en rechtstreeks met elkaar te bespreken. Het voeren van dergelijke discussies in een bredere kring zal de verhoudingen ongetwijfeld verder onder druk hebben gezet. Dit maakt echter niet dat de uitlatingen van [gedaagde] over [eiseres] de grens van het toelaatbare hebben overschreden.
5.17.
Gelet op het voorgaande is er geen grond voor een beperking van [gedaagde] ’s vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM Pro en is er geen sprake van onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 BW Pro. De rectificatievordering faalt en zal worden afgewezen.
Proceskosten
5.18.
De rechtbank zal een beslissing nemen over de proceskosten, voor zover die betrekking hebben op de dagvaardingsprocedure. Het griffierecht blijft daarbij buiten beschouwing, omdat daarover in de verzoekschriftprocedure een beslissing genomen zal worden. [eiseres] is in het ongelijk gesteld ten aanzien van de in dit vonnis inhoudelijk behandelde vorderingen jegens [gedaagde] en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 652,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.495,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
beveelt dat de procedure ten aanzien van vorderingen I en II, die betrekking hebben op het verzoek tot ontslag van [gedaagde] als bestuurder, in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure onder zaak- en rolnummer C/10/714661 / HA RK 26-111,
6.2.
beveelt [eiseres] binnen vier weken na de datum van dit vonnis de rechtbank in de in 6.1 genoemde verzoekschriftprocedure schriftelijk mede te delen welke personen als belanghebbenden in de verzoekschriftprocedure dienen te worden betrokken, waarna desgewenst [gedaagde] opgave kan doen van andere belanghebbenden,
6.3.
wijst de vorderingen III tot en met V af,
6.4.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] , tot nu toe begroot op € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
3893/1980