Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mr. E. Kattestaart, advocaat van verzoeker;
- mevrouw M. Grooten en mevrouw K.E. Boele, beiden werkzaam bij Fidinda CBM B.V. (hierna: bewindvoerder);
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn woonruimte opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 28 augustus 2025 waarin ontruiming werd bevolen. Verzoeker kampt met problematische schulden en is onder bewind gesteld om zijn financiën te beheren.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 15 januari 2026. De wet beoogt met het moratorium een adempauze te bieden aan schuldenaren om een minnelijke regeling te treffen. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot toewijzing van de voorziening, mede omdat de lopende huurtermijnen inmiddels worden voldaan via de bewindvoerder.
De voorziening geldt voor zes maanden en wordt onder voorwaarden toegekend, waaronder tijdige betaling van de huur. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard, maar verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de woonruimte opschort voor zes maanden onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.