ECLI:NL:RBROT:2026:1318

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1882 en FT RK 25/1883
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedwongen schuldregeling tegen weigering schuldeiser BNP Paribas Personal Finance

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en zijn WIA-uitkering, waarbij geen uitkering aan schuldeisers plaatsvindt en kwijtschelding wordt gevraagd. Negen van de tien schuldeisers stemden in, maar BNP Paribas Personal Finance (BNP) weigert mee te werken aan de regeling met een vordering van bijna 50% van de totale schuldenlast.

De rechtbank oordeelt dat BNP in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, gezien het onevenredige belang van BNP tegenover de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers. Verzoeker is arbeidsongeschikt verklaard en heeft geen afloscapaciteit, wat door een deskundige is bevestigd.

De rechtbank stelt vast dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling en dat de kosten daarvan grotendeels ten laste van de Staat zouden komen. Daarom prevaleert het belang van verzoeker bij een schuldenvrije toekomst boven het belang van BNP.

BNP wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil zijn omdat er geen griffierecht is en verzoeker geen advocaat had. De gedwongen schuldregeling treedt in de plaats van vrijwillige instemming en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt BNP Paribas Personal Finance in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 14 januari 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 14 oktober 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- BNP Paribas Personal Finance B.V., in behandeling bij Vesting Finance (hierna: BNP).
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 7 januari 2026 zijn, in verband met de bijzondere weersomstandigheden telefonisch, gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw E. de Groot, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift tien schuldeisers, waarvan twee preferente en acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 37.458,23 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 3 februari 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en de schuldeisers verzocht worden de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WIA-uitkering. Verzoeker is door het UWV voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels voldaan.
Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. BNP stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 18.605,43 op verzoeker, welke 49,7% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft BNP geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van BNP bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of BNP in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van BNP een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 49,7%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negen van de tien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Sociale Dienst Drechtsteden. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is op 11 oktober 2021 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Voldoende aannemelijk is geworden, dat verzoeker geen hoger inkomen zal kunnen verwerven dan de huidige WIA-uitkering, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd waaruit blijkt dat verzoeker onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Dat dit op termijn zal wijzigen, is niet aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande is het voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker in de komende jaren geen afloscapaciteit zal verkrijgen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (met een eerdere ingangsdatum) op verzoeker van toepassing zou zijn er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich meebrengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoeker bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoeker in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van de weigerende schuldeisers.
Het verzoek om BNP te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
BNP zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt BNP om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt BNP in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.