ECLI:NL:RBROT:2026:1310

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
12062366 VV EXPL 26-32
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 258 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis ontbinding huurovereenkomst sociale woning

In deze zaak vordert eiseres schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij haar huurovereenkomst is ontbonden en zij is veroordeeld tot ontruiming van een sociale huurwoning. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ontruiming staat gepland op 3 februari 2026.

De kantonrechter overweegt dat eiseres geruime tijd niet haar hoofdverblijf heeft gehad in de woning en dat zij de woning zonder toestemming aan derden heeft gegeven. Dit is vastgesteld aan de hand van onderzoeken en verklaringen. Eiseres verblijft sinds eind 2025 op Curaçao en heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar hoofdverblijf in de woning heeft hervat.

Woonstad heeft een groot belang bij ontruiming vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en het belang dat deze woningen door de huurder zelf worden bewoond. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van Woonstad zwaarder weegt dan dat van eiseres. De gevorderde schorsing wordt daarom afgewezen en de ontruiming kan doorgaan. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De eis tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen en de ontruiming kan doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12062366 VV EXPL 26-32
datum uitspraak: 2 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
tegen
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. van der Hoeff.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘Woonstad’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 22 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 11;
de e-mails van Woonstad, met bijlagen 1 en 2.
1.2.
Op 27 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], dochter, kleindochter en kleinzoon van [eiseres] en diens vriendin, met mr. Schuckink Kool en mr. E.M. Prins,
  • [naam 5] (sociaal beheerder) voor Woonstad, met mr. Van der Hoeff.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
De eis van [eiseres] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van
12 december 2025 wordt afgewezen. Dat betekent dat de aangezegde ontruiming op
3 februari 2026 kan doorgaan. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wat is er gebeurd?
2.2.
Bij vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank van 12 december 2025 (zaaknummer: 11619586 CV EXPL 25-8030) is de huurovereenkomst tussen Woonstad en [eiseres] ontbonden en zijn [eiseres], [naam 3] en [naam 4] veroordeeld om de woning aan de [adres 1] te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Woonstad heeft [eiseres] te kennen gegeven dat de woning moet worden opgeleverd. Voor het geval zij dat niet doet, is [eiseres] aangezegd dat Woonstad zelf de woning zal laten ontruimen op 3 februari 2026.
2.4.
[eiseres] is het hiermee niet eens. Zij heeft ook al hoger beroep ingesteld.
2.5.
[eiseres] eist nu om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 december 2025 te schorsen totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, althans voor een door de kantonrechter te bepalen termijn, met veroordeling van Woonstad in de proceskosten, met rente. Woonstad concludeert tot afwijzing van de eis.
Spoedeisend belang
2.6.
Niet is in geschil dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij haar eis. Dat belang is uiteraard aanwezig gelet op de aangezegde ontruiming van haar woning op korte termijn.
Maatstaf voor de beoordeling van de eis in dit executiegeschil
2.7.
Bij de beoordeling van de eis moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van Woonstad, die het ontbindingsvonnis met de veroordeling tot ontruiming verkreeg, zwaarder weegt dan dat van [eiseres] bij behoud van de woning tot op het hoger beroep is beslist. Bij deze afweging moet worden uitgegaan van het bestreden vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Een belangrijk gezichtspunt is dat de vorige rechter de eis waarop de tenuitvoerlegging betrekking heeft, toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt om uitstel van executie te verkrijgen. Uitgangspunt is dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn, maar onder omstandigheden kan hiervan worden afgewezen. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing [1] .
2.8.
Anders dan Woonstad leest de kantonrechter in het vonnis niet dat daarin al een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Uit de betreffende overweging valt niet te herleiden wat is meegewogen bij deze beslissing. Dat maakt dat de beoordeling zich niet beperkt tot feiten en omstandigheden die door de vorige rechter niet konden worden meegewogen doordat zij zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. De beoordeling vindt plaats op basis van de hierboven onder 2.7. vermelde (ruimere) maatstaf.
Het vonnis van 12 december jl.
2.9.
De reden voor de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming is geweest dat [eiseres] op twee manieren tekortgeschoten is in de nakoming van verplichtingen uit de huurovereenkomst:
[eiseres] heeft geruime tijd niet haar hoofdverblijf gehad in de woning en de woning niet zelf bewoond;
[eiseres] heeft zonder toestemming van Woonstad de woning in gebruik gegeven aan derden.
Ad. 1 Hierbij is uitgegaan van bevindingen bij verrichte onderzoeken door de gemeente Rotterdam en Woonstad, maar ook van verklaringen van [eiseres] en anderen waaruit volgt dat [eiseres] niet op haar eigen adres maar bij haar dochter in de [adres 2] verbleven heeft. In de omstandigheid dat verklaard is dat [eiseres] daar verbleef in verband met haar gezondheid en dat het praktischer was om daar haar medicatie te laten bezorgen, is een aanwijzing gezien om te concluderen dat [eiseres] niet of nauwelijks in haar woning in de [adres 1] verbleef. Daarbij is overwogen dat niet gebleken is dat het ging om tijdelijk verblijf en dat het op de weg van [eiseres] had gelegen om met stukken te onderbouwen dat zij kortstondig vanwege haar gezondheid meer zorg nodig had en daarom verbleef aan de [adres 2] met de intentie om weer terug te keren naar de [adres 1] 37C als zij aangesterkt was.
Ad. 2 Ten aanzien hiervan is overwogen dat [eiseres] onvoldoende heeft tegengesproken dat haar woning in gebruik is gegeven aan [naam 3] en [naam 4].
2.10.
Bij de beslissing om de huurovereenkomst te ontbinden, is meegewogen dat gebleken is dat [eiseres] niet zomaar op straat komt te staan en dat Woonstad groot belang heeft bij het beschikken over de huurwoning, omdat het een sociale huurwoning betreft en vanwege de grote schaarste aan deze woningen.
Belangenafweging valt niet in het voordeel uit van [eiseres]
2.11.
In het licht van de vaststellingen en oordelen en de afwegingen die recentelijk nog zijn gemaakt in voormeld vonnis, wordt aan het belang van Woonstad om tot ontruiming te kunnen overgaan van de door [eiseres] gehuurde woning meer gewicht toegekend dan aan het belang van [eiseres] om daarmee te wachten gedurende de hoger beroepsprocedure. Dit om de volgende redenen.
2.12.
Niet is in geschil dat [eiseres] gedurende lange tijd niet of nauwelijks verbleven heeft in de woning aan de [adres 1], want dat is ter zitting erkend. Naar het zich laat aanzien gaat het om een periode van bijna anderhalf jaar, gerekend vanaf maart 2024 tot augustus 2025. In ieder geval heeft [eiseres] naar eigen zeggen in verband met haar gezondheid en zorgbehoefte vanaf juni 2024 bijna een jaar gewoond bij haar dochter op het adres [adres 2]. Dat [eiseres], die 73 jaar oud is, kampt met een broze gezondheid en in 2024 tweemaal doorverwezen is naar het ziekenhuis, en in juni 2024 daar zelfs enkele dagen opgenomen is geweest, vindt steun in de medische verklaring van haar huisarts en de daarin aangehaalde verslaglegging van de betreffende periode, die in het geding is gebracht. Daaruit blijkt echter niet dat [eiseres] vanwege haar gezondheid niet in staat was om in haar eigen woning te wonen in verband met benodigde zorg. Gesteld noch gebleken is dat de zorgbehoefte van [eiseres] noodzakelijk heeft gemaakt dat zij bij haar dochter ging inwonen. Dat dit misschien is gebeurd uit verantwoordelijkheidsgevoel om te zorgen voor [eiseres] en om praktische redenen, is niet onbegrijpelijk, maar door deze keuze heeft [eiseres] langdurig niet haar hoofdverblijf gehad in de woning aan de [adres 1].
2.13.
Gesteld wordt dat [eiseres] inmiddels weer een poos verblijft in de woning, maar dat staat niet vast, want Woonstad betwist het gemotiveerd. Bij een huisbezoek begin augustus 2025 was [eiseres] niet aanwezig en lagen daar ook geen spullen die duiden op verblijf van haar in de woning, terwijl de vorige procedure toen al ruim vier maanden liep. De verklaringen van familieleden en twee buren die in het geding zijn gebracht, doen hieraan niet af. Aan de verklaringen van de familieleden wordt ook niet veel gewicht toegekend, want aan hun kant is er belang bij behoud van de woning om er te verblijven. Geconstateerd is dat [naam 3] en [naam 4] in de woning verblijven.
2.14
Op de zitting van 27 januari jl. is [eiseres] niet verschenen en desgevraagd is vernomen dat zij eind december 2025 naar Curaçao is gereisd en dat geen retourvlucht is geboekt. Meegedeeld is dat zij waarschijnlijk na de carnaval eind februari 2026 terugkeert.
2.15.
Tegen deze achtergrond wegen de belangen van Woonstad zwaarder. Woonstad is namelijk geconfronteerd met een situatie waarin [eiseres] voor lange tijd niet haar hoofdverblijf heeft gehad in de woning, terwijl gerede twijfel bestaat of [eiseres] dat hoofdverblijf nadien hervat heeft. Thans verblijft zij op Curaçao. Tevens is Woonstad geconfronteerd met twee bewoners, een kleinzoon van [eiseres] en diens vriendin, voor wier verblijf in de woning niet om toestemming is gevraagd. Toestemming is ook niet gegeven. Aan hun verblijf in de woning is geen einde gekomen. Een en ander weegt zwaar omdat het hier gaat om een sociale huurwoning, waaraan enorme schaarste is. Woonstad verhuurt dit soort woningen aan huishoudens met een lager inkomen, met uiteraard de bedoeling dat de huurders de woning zelf bewonen. Niet is de bedoeling dat een dergelijke woning zonder haar toestemming in gebruik wordt gegeven aan derden, zoals in dit geval aan de kleinzoon van [eiseres] en zijn vriendin. Door dat te doen wordt het systeem voor woningtoewijzing omzeild, met nadelige gevolgen voor andere woningzoekenden die daardoor langer moeten wachten op zo’n woning.
2.16.
Daarom wordt de eis van [eiseres] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 december 2025 afgewezen. Daarbij speelt mee, zoals ook overwogen is in het vonnis, dat het gevolg hiervan niet hoeft te zijn dat [eiseres] op straat komt te staan, want zij kan waarschijnlijk terecht bij haar dochter of elders. Voorts is van belang dat [eiseres] bij separaat vonnis van 12 december 2025 (zaaknummer: 11807616 CV EXPL 25-15942) veroordeeld is tot betaling aan Woonstad van € 4.299,40 aan achterstallige huur. Die huurachterstand is inmiddels opgelopen tot € 4.813,40¸ wat neerkomt op ruim 8 maanden achterstallige huur.
2.17.
Dit brengt met zich dat dat de aangezegde ontruiming op 3 februari 2026 kan doorgaan als [eiseres], haar kleinzoon en diens vriendin de woning dan niet uit zichzelf hebben verlaten met medeneming van hun spullen. Gedwongen ontruiming van de woning levert geen misbruik van bevoegdheid op, want hiertoe is Woonstad toestemming gegeven. Om de redenen hiervoor genoemd doet zich geen situatie voor waarin Woonstad in redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid kan komen, want geen sprake is van onevenredigheid tussen het belang van Woonstad bij ontruiming en het belang van [eiseres] bij behoud van haar woning. Integendeel, het belang van Woonstad weegt zwaarder.
Proceskosten
2.18.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij ongelijk krijgt [2] . De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan Woonstad moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.19.
De proceskostenveroordeling wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard [3] .

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.009,-;
3.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026
2.Artikel 237 Rv Pro
3.Artikel 258 Rv Pro