ECLI:NL:RBROT:2026:1291

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712247 / JE RK 25-2667
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens onstabiele opvoedsituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee jonge jongens, geboren in 2022 en 2024, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de opvoedsituatie is onrustig en instabiel. De kinderen vertonen zorgelijk gedrag, zoals angst en driftbuien, en er is een gebrek aan rust en stabiliteit die nodig is voor hun ontwikkeling.

De vrijwillige hulpverlening heeft geen positieve verandering gebracht, waardoor gedwongen hulpverlening noodzakelijk wordt geacht. De ouders zijn kwetsbaar en onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging zelfstandig weg te nemen. De vader heeft beperkt contact met de kinderen en de communicatie tussen ouders verloopt moeizaam, wat het maken van gezamenlijke beslissingen bemoeilijkt.

De gecertificeerde instelling en de moeder ondersteunen het verzoek. De vader twijfelt, maar erkent de problematiek. De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en dat een onafhankelijke jeugdbeschermer de regie moet voeren om de situatie te verbeteren. De beschikking wordt voor de duur van een jaar gegeven en is direct uitvoerbaar.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de twee minderjarige kinderen onder toezicht voor de duur van een jaar vanwege een onstabiele opvoedsituatie en de noodzaak van gedwongen hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712247 / JE RK 25-2667
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 22 december 2025, ontvangen op diezelfde datum;
- de brief van de vader, ingekomen bij de rechtbank op 23 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI, [naam 2] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft ter zitting op verzoek van de moeder bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , begeleider van de moeder vanuit Eleos.
2.
De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee jonge jongens die zich in een ingewikkelde opvoedomgeving bevinden. Hulpverlening in het vrijwillig kader heeft tot op heden geen positieve verandering in de opvoedsituatie teweeggebracht, naar aanleiding waarvan de Raad hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk acht. Het gedwongen kader is noodzakelijk om de situatie ten gunste van de kinderen te verbeteren. Er bestaan grote zorgen over het gedrag van de kinderen en de moeder heeft het zwaar met de opvoeding. [minderjarige 1] vertoont angstig gedrag bij harde geluiden en in het contact met mannen, zoals de vader en de pleegvader. Waar [minderjarige 1] vooral angstig gedrag laat zien, heeft [minderjarige 2] een grote eigen wil en last van driftbuien. Het ontbreekt de kinderen aan rust en stabiliteit om zich positief te kunnen ontwikkelen. De ouders zijn onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging zelfstandig weg te nemen. Beide ouders zijn kwetsbare mensen. De moeder is snel overbelast en emotioneel, waardoor zij onvoldoende in staat is om zonder hulp voor de kinderen te zorgen. De vader heeft beperkte capaciteiten waardoor een positieve verandering moeilijk tot stand komt en vast wordt gehouden. De vader heeft één keer per week een begeleid omgangsmoment met de kinderen en het lukt hem daarin onvoldoende om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder en de vader zijn momenteel onvoldoende in staat om als ouders gezamenlijk beslissingen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te maken en het belang van de kinderen voorop te stellen.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund. Het is belangrijk dat er duidelijke afspraken gemaakt worden tussen de ouders, die ook op papier worden gezet, zodat de samenwerking onderling wordt verbeterd. De focus moet daarbij liggen op het creëren van rust en stabiliteit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.2.
De moeder voert ter zitting geen verweer tegen het verzoek van de Raad. De moeder hoopt dat een ondertoezichtstelling ertoe leidt dat de communicatie tussen haar en de vader verbetert, in het belang van de kinderen. De moeder doet alles voor de kinderen en denkt dat de ondertoezichtstelling het beste voor hen is. Het afgelopen jaar zijn de moeder en de vader uit elkaar gegaan. Sinds de moeder is verhuisd gaat het beter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zij zijn tot rust gekomen. De moeder heeft een breed netwerk in de buurt die haar kan helpen bij de zorg voor de kinderen wanneer dit nodig is. Het lukt de moeder en de vader nog niet om gezamenlijk tot beslissingen over de kinderen te komen. Zo denken de moeder en de vader anders over geschikte (weekend)pleeggezinnen en lukt het hen niet om hierin met elkaar tot een besluit te komen. De moeder ontvangt hulpverlening vanuit Eleos en heeft morgen een intake bij Family Supporters.
4.3.
De vader schrijft in zijn brief dat hij de kinderen veel te weinig ziet. De commentaren van de hulpverleners kloppen niet en zij proberen de vader zwart te maken. De vader zou de kinderen graag veel vaker zien en vindt het belangrijk om als gezin ook leuke dingen doen. De communicatie tussen de moeder en de vader gaat beter en daar is de vader blij mee. De liefde is er nog steeds. De vader denkt dat de ondertoezichtstelling misschien nodig is, maar twijfelt hier soms ook nog aan. De kinderen zijn de dupe van de situatie. De vader denkt veel aan de kinderen en ligt er ’s nachts van wakker.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling ter zitting volgt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling. De kinderen groeien op in een instabiele en onrustige opvoedsituatie en laten zorgelijk gedrag zien. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen opgroeien in een veilige opvoedomgeving waar zij de ruimte en de kans krijgen om zichzelf adequaat te ontwikkelen. Daarvoor is rust, stabiliteit en voorspelbaarheid nodig, factoren die momenteel onvoldoende gewaarborgd zijn. Het is in het belang van een goede ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook noodzakelijk dat de ouders in staat zijn om over hen belangrijke beslissingen te nemen en afspraken te maken, bijvoorbeeld over een passend (weekend)pleeggezin. Tot op heden lukt het de ouders onvoldoende om daarover met elkaar in gesprek te gaan en overeenstemming te bereiken. Het is belangrijk dat zowel de moeder als de vader de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor ogen houden. Omdat gebleken is dat het de moeder en de vader, ondanks inzet van vrijwillige hulpverlening, onvoldoende lukt om de situatie te verbeteren, acht de kinderrechter nu hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. De kinderrechter wil de moeder wel complimenteren voor haar inzet en de medewerking aan hulpverlening. De hulpverlening in het vrijwillig kader is echter niet toereikend om de stabiliteit te bieden die de kinderen nodig hebben. Het is belangrijk dat een onafhankelijk persoon in de vorm van een jeugdbeschermer de regie voert, de communicatie tussen de ouders kan helpen verbeteren en hulpverlening kan inzetten die in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 3 februari 2026 tot 3 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.