3.2.Onderhoudsbijdrage
3.2.1.De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 500,- per maand vast te stellen ingaande 1 mei 2025, te verhogen met de wettelijke indexering per 1 januari 2026.
3.2.2.De man voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing.
3.2.3.De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De vrouw stelt dat partijen in een door hen op 12 april 2025 ondertekende overeenkomst hebben afgesproken dat de man in het kader van beëindiging van hun relatie met ingang van 24 april 2025, een kinderbijdrage aan de vrouw zal betalen van € 500,- per maand met ingang van 1 mei 2025. De man betwist dat dit bedrag is afgesproken en dat onder de overeenkomst die de vrouw in het geding heeft gebracht, zijn handtekening staat. De man beroept zich niet op dwaling.
Tussen partijen staat wel vast dat aan de kinderbijdrage die in die overeenkomst is opgenomen, geen berekening ten grondslag heeft gelegen. Ook staat vast dat bij het vaststellen van die bijdrage geen rekening is gehouden met de wettelijke maatstaven.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de kinderbijdrage, zo deze al zou zijn afgesproken, is afgesproken met mogelijk grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dat partijen in ieder geval niet bewust hiervan zijn afgeweken.
De rechtbank zal daarom de kinderbijdrage berekenen waarbij wordt uitgegaan van de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. De rechtbank zal daarbij de aanbevelingen volgen zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.2.4.Tussen partijen is niet in geschil dat de man met ingang van 1 mei 2025 een onderhoudsbijdrage voor het kind van partijen zou betalen.
3.2.5.De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot april 2025 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2025.
3.2.6.Tussen partijen is niet in geschil dat op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, de vrouw geen inkomen had.
3.2.7.Tussen partijen is wel in geschil van welk inkomen van de man moet worden uitgegaan. Vaststaat dat de man in 2025 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak had genaamd ‘ [naam eenmanszaak] ’ en dat hij daaruit inkomsten genereerde als tourmanager. Daarnaast staat vast dat de man in 2025 nog vier maanden op Mallorca heeft gewerkt.
De man stelt dat als bruto jaarinkomen moet worden uitgegaan van een winst van € 47.903,-
Ter onderbouwing daarvan overlegt de man facturen van zijn inkomsten als tourmanager in Nederland, waaruit een omzet volgt (zonder btw) van € 39.903,-. Over zijn inkomsten in die vier maanden op Mallorca stelt de man dat hij daar alleen als manager heeft gewerkt, en niet als dj zoals eerst de bedoeling was, en dat hij daar als inkomen € 3.500,- bruto per maand heeft ontvangen. Omdat hij daarvan kosten voor verblijf, levensonderhoud en reizen heeft moeten betalen, gaat hij uit van € 2.000,- netto per maand ofwel voor die vier maanden totaal van € 8.000,- netto. Bij elkaar opgeteld (inkomsten in Nederland en vier maanden inkomsten op Mallorca) stelt de man dat moet worden uitgegaan van een winst van
€ 47.903,- bruto.
De vrouw betwist gemotiveerd het gestelde jaarinkomen van de man, en stelt dat moet worden uitgegaan van een geschatte winst van € 70.000,-.
3.2.8.De rechtbank overweegt hierover dat de door de man gestelde winst die hij in Nederland heeft gemaakt, onweersproken kan worden gesteld op € 39.903,-.
Partijen verschillen van mening over het inkomen dat de man gedurende die vier maanden op Mallorca heeft verdiend. Partijen verwijzen naar appberichten van de man (productie 5 bij het bericht van de vrouw van 12 januari 2026) waarin een bedrag van € 40.000,- staat vermeld voor verwachte verdiensten voor zijn werk aldaar als dj en manager. De man stelt dat dit slechts een voorstel is geweest van zijn kant richting zijn werkgever, maar dat dit in werkelijkheid nooit tot uitvoering is gekomen, omdat hij die maanden daar alleen als manager heeft gewerkt en niet ook als dj. De vrouw betwist die stelling gemotiveerd en stelt daartoe dat de man die appberichten van iemand doorgestuurd heeft gekregen. Ook zou op social media zijn gezien dat de man op daar toen als dj heeft gewerkt.
3.2.9.De rechtbank overweegt hierover dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij aan zijn werkzaamheden op Mallorca slechts € 8.000,- netto zou hebben overgehouden.
De rechtbank gaat in het licht van de overgelegde app-berichten ervan uit dat de man in de vier maanden op Mallorca minimaal hetzelfde heeft verdiend als wat hij gedurende de rest van het jaar in Nederland verdiende. De rechtbank neemt daarom de onweersproken inkomsten in Nederland als uitgangspunt en extrapoleert die naar die vier maanden. Als winst in 2025 volgt hieruit:
€ 39.903,- : 8 maanden x 12 maanden = (afgerond) € 59.855,- bruto per jaar.
3.2.10.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man (NBI) over het jaar 2025 aan de hand van een winst van € 59.855,- op € 3.774,- per maand.
Als ondernemersaftrek is in aanmerking genomen de zelfstandigenaftrek van € 2.470,-
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 7.288,-.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting en de arbeidskorting
Tenslotte is rekening gehouden met de door de man in dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 2.635,-.
3.2.11.De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op € 3.774,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget waar partijen recht op hadden ad € 135,- per maand, wordt uitgekomen op een totaalbedrag van € 3.909,- per maand.
3.2.12.Hiervoor genoemd totaalbedrag levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 530,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige anno 2025 wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
3.2.13.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht, waartoe eerst het huidige NBI van partijen vastgesteld moet worden.
De rechtbank ziet aanleiding om de draagkracht over twee periodes te berekenen, omdat vanaf omstreeks januari 2026 sprake is van gewijzigde omstandigheden. Deze gewijzigde omstandigheden zien op de zorgkorting die in het jaar 2025 anders was dan in het jaar 2026 (waarover hierna meer bij de zorgkorting), en dat de vrouw stelt dat zij voornemens is om in 2026 meer uren te gaan werken.
Periode van 1 mei 2026 tot 1 januari 2026
3.2.14.Gezien de ingangsdatum van de eventuele vaststelling van de kinderbijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-1.
3.2.15.Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank uit van een winst van € 59.855,- bruto per jaar waaruit een NBI volgt van € 3.774,- per maand.
3.2.16.Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, moet zijn draagkracht in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)].
De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de aflossing van schulden die bestonden ten tijde van de relatie met de vrouw. De man heeft met de schuldeisers een betalingsregeling getroffen en stelt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag aan schulden van totaal € 458,- per maand te weten:
- aan ONVZ € 55,37 en € 53,46 per maand,
- aan Woonstichting Lieven de Key € 150,- per maand;
- aan Zilveren Kruis € 100,- per maand;
- aan ING € 100,- per maand.
De vrouw betwist niet dat de man schulden heeft waarop hij aflost, maar betwist wel het totaalbedrag van € 458,- per maand. De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met een totaalbedrag van € 350,- per maand, en dat het resterende bedrag zakelijke schulden zijn.
De rechtbank volgt de vrouw daarin niet. De man heeft het bedrag dat hij aflost, voldoende onderbouwd en aangetoond. En dat hij de aflossingen soms vanuit zijn privérekening heeft betaald en soms vanuit de rekening van zijn eenmanszaak, maakt niet dat hij die aflossingen niet betaalde en dat het zakelijke schulden zijn.
Daarnaast heeft de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de man deze aflossingen voor zijn rekening neemt en dat het gaat om lasten die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn.
De rechtbank zal daarom, volgens het verzoek van de man, rekening houden met deze betalingsverplichtingen, in die zin dat in de formule het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van de schulden van maandelijks € 458,-.
De draagkracht van de man bedraagt dus:
70% x [€ 3.774,- – (0,3 x € 3.774,- + 1.310,- + € 458,-)] = € 612,- per maand.
3.2.17.Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw in 2025 nagenoeg geen inkomen had. Haar huidige NBI wordt vastgesteld op het kindgebonden budget van € 5.900,- op jaarbasis waar de vrouw recht op had, en bedraagt 492,- per maand. Aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport wordt haar draagkracht vastgesteld op het minimumbedrag van € 25,- per maand.
3.2.18.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 612,- + € 25,- = € 637,-) hoger is dan de behoefte van de minderjarige (= € 530,-) moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 612,- / € 637,- x € 530,- = € 509,20
het deel van de vrouw bedraagt: € 25,- / € 637,- x € 530,- =
€ 20,80 +
samen € 530,-
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van afgerond € 509,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 21,- per maand voor rekening van de vrouw.
3.2.19.De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van de minderjarige. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit beginsel af te wijken. Niet is weersproken dat de man reiskosten heeft gemaakt vanuit Mallorca om in Nederland contact met de minderjarige te kunnen hebben, Verder zijn er tussen hen videobelcontacten en is het de bedoeling dat binnen afzienbare tijd begeleide contacten opgestart zullen worden. Omdat de behoefte van de minderjarige € 530,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 26,- per maand.
3.2.20.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen (€ 509,- – € 26,- =) € 483,- per maand.
3.2.21.Gezien het voorgaande is vanaf 1 mei 2025 tot 1 januari 2026 een door de man te betalen kinderbijdrage van € 483,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal dit bepalen.
Periode van vanaf 1 januari 2026
3.2.22.In het jaar 2025 is de behoefte van de minderjarige vastgesteld op € 530,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 554,- per maand.
3.2.23.Gezien de ingangsdatum van de eventuele vaststelling van de kinderbijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
NBI en draagkracht man
3.2.24.De man heeft tot eind 2025 gewerkt als tourmanager. Niet is weersproken dat de man daarna zijn werk als tourmanager niet heeft kunnen uitvoeren en daaruit geen inkomsten heeft ontvangen. Onweersproken is gesteld dat de vrouw zonder medeweten van de man, zijn bedrijf heeft uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel, waardoor onder andere zijn zakelijke rekening niet meer beschikbaar was. De man stelt dat hij zo snel mogelijk zijn werk als tourmanager weer wil oppakken. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de man in het jaar 2026 in beginstel in staat moet worden geacht een verdien-capaciteit te hebben zoals hij in het jaar 2025 heeft gehad, zijnde een winst van € 59.855,-. De rechtbank acht het echter redelijk en billijk dat de man tijd nodig heeft om zijn onderneming, die zonder zijn toedoen is “gestaakt”, weer op te starten en daaruit inkomen te genereren, en verwacht dat dit vanaf de maand maart 2026 weer mogelijk moet zijn. Uitgaande van een winst van € 59.855,- per jaar en dat omgerekend naar tien maanden, gaat de rechtbank voor 2026 uit van een winst van € 49.879,-.
3.2.25.Uitgaande van voornoemde winst van € 49.879,- bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 3.356,- per maand.
Als ondernemersaftrek is in aanmerking genomen de zelfstandigenaftrek van € 1.200,-.
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 6.182,-.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting en de
arbeidskorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomens-afhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 2.061,-.
3.2.26.Onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3.2.18. is overwogen, houdt de rechtbank rekening met de aflossing van schulden, in die zin dat in de formule het draag-krachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van de schulden van maandelijks
€ 458,-. De draagkracht van de man bedraagt dus:
70% x [€ 3.356,- – (0,3 x € 3.356,- + 1.365,- + € 458,-)] = € 368,- per maand.
3.2.27.De vrouw werkt sinds eind 2025 via een uitzendbureau. Op dit moment werkt zij 10 uur per week. Haar inkomen wordt onweersproken gesteld op € 170,- bruto per week.
De vrouw stelt daarnaast dat zij aankomende april haar uren wil uitbreiden omdat er mogelijk meer opvangruimte voor de minderjarige komt. De rechtbank is met de man van oordeel dat de vrouw vanaf april in staat moet worden geacht om € 2.000,- bruto per maand te kunnen genereren. Voor de berekening van haar verdiencapaciteit gaat de rechtbank daarom tot en met maart uit van € 170,- bruto per week = 13 weken x € 170,- = € 2.210,- en vanaf april tot en met december van € 2.000,- bruto per maand = 9 x € 2.000,- = € 18.000,-.
Dit levert bij elkaar een jaarinkomen van € 20.210,- bruto ofwel omgerekend € 1.684,- bruto per maand.
3.2.28.Uitgaande van voornoemde verdiencapaciteit van € 1.684,- bruto per maand bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.318,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 1.684,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De op de loonspecificatie vermelde compensatie premie PAWW en premie PAWW, WGA en aanvullende verzekering Ziektewet, zijn dermate gering dat de rechtbank daarmee geen rekening houdt.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting, de
arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Verder is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 5.591,- op jaarbasis, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.2.29.Omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, wordt haar draagkracht vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 181,- per maand.
3.2.30.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 368,- + € 181,- = 549,-) lager is dan de behoefte van de minderjarige (= € 554,-) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht, zijnde € 368,- per maand.
3.2.31.Omdat het de bedoeling is dat er tussen de man en de minderjarige begeleide contacten zullen plaatsvinden en de man hiervoor reiskosten zal gaan maken – gelet op zijn woonplaats in Zandvoort en dat de begeleide contacten in de regio Dordrecht zullen gaan plaatsvinden – acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 15%.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 554,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 83,- per maand.
3.2.32.Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage.
3.2.33.Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt (€ 554,- – € 549,- =) € 5,- zodat de helft daarvan is € 2,50.
Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 83,-, zodat resteert
€ 83,- – € 2,50 = (afgerond) € 81,-.
Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 368,- – € 81,- = € 288,-.
De aan de man op te leggen kinderbijdrage wordt dus € 288,- per maand.
3.2.34.Gezien het voorgaande is vanaf 1 januari 2026 een door de man te betalen kinderbijdrage van € 288,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
De rechtbank zal dit bepalen.
3.2.35.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.