ECLI:NL:RBROT:2026:1173

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/10/687051 / FA RK 24-7373
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en verdeling huwelijksgemeenschap

De rechtbank Rotterdam heeft op 12 februari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een vrouw en een man, beiden met de Turkse nationaliteit en woonachtig in Nederland. De vrouw verzocht de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk, hetgeen door de man niet werd betwist. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is.

De vrouw had geen ouderschapsplan overgelegd, maar de rechtbank accepteerde dit gezien de omstandigheden. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen werd vastgesteld bij de vrouw, met een zorgregeling waarbij de man de kinderen in het weekend en tijdens vakanties verzorgt volgens een door partijen overeengekomen schema. De rechtbank nam deze regeling over.

Verder werd het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toegewezen. De verdeling van de huwelijksgemeenschap werd gelast conform de onderlinge afspraken van partijen, waarbij onder meer de inboedel, bankrekeningen, auto en schulden werden toegedeeld. Proceskosten worden door partijen ieder zelf gedragen. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt de hoofdverblijfplaats en zorgregeling vast, wijst het huurrecht toe en gelast de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform overeenstemming partijen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaak- / rekestnummers: C/10/687051 / FA RK 24-7373 (echtscheiding) +
C/10/712606 / FA RK 25-9984 (verdeling)
Beschikking van 12 februari 2026 over de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats ] ,
advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], de man,
wonende te [woonplaats ] ,
advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 04 oktober 2024;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 19 december 2024;
  • het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man, tevens aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 15 januari 2025;
  • het verweerschrift van de man op het aanvullend verzoek van de vrouw, tevens gewijzigd verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 24 februari 2025;
  • het gewijzigd en aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] .
2.3.
De vrouw en de man hebben beiden de Turkse nationaliteit.
3. De beoordeling
3.1.
Scheiding
3.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.1.3.
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (art. 815 lid 6 Rv Pro)
3.1.5.
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft echter voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.
3.1.6.
Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.
3.2.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken, op de wet is gegrond en niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
Beide partijen verzoeken (bij gewijzigd verzoek) een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, die echter andersluidend is.
3.3.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling. De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, opnemen in deze beschikking. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
3.4.
Huurrecht woning
3.4.1.
De vrouw verzoekt het huurrecht van de woning.
3.4.2.
De man verzet zich niet tegen dit verzoek en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.3.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.4.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.
3.5.
Verdeling
3.5.1.
De vrouw verzoekt (bij gewijzigd verzoek) partijen te bevelen over te gaan tot afwikkeling dan wel verrekening van de tussen hen bestaande gemeenschap, dan wel de wijze van verdeling daarvan te gelasten op de door haar voorgestelde wijze.
3.5.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de verdeling dan wel de verrekening van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze.
3.5.3.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening Pro huwelijks-vermogensstelsels). Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogens-verdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Turkije gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland. Het land van de gemeenschappelijke nationaliteit is geen verdragsland. Het land van de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking is geen verdragsland en het beschouwt zich als een nationaliteitsland. Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder b. van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Turkije, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime. Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht met ingang van 29 september 2023 het recht van Nederland van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime.
3.5.4.
Partijen zijn het erover eens dat als peildatum voor de omvang van de huwelijks-gemeenschap, de datum is waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 4 oktober 2024.
3.5.5.
Partijen zijn er ook over eens dat de schuld van de man aan de gemeente Capelle aan den IJssel ter zake stofferingskosten en inrichtingskosten voor de woning aan de [adres 1] , niet tot de huwelijksgemeenschap behoort, omdat die schuld is aangegaan na de peildatum.
3.5.6.
Verder zijn partijen het erover eens dat van een belastingschuld en/of belasting-
teruggaaf vooralsnog niet is gebleken. Deze behoort dan ook niet in de tot de huwelijks-gemeenschap.
3.5.7.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de bestanddelen die tot de huwelijksgemeenschap behoren. Zij zijn het volgende overeengekomen:
  • de inboedelgoederen zijn reeds verdeeld. Iedere partij behoudt wat hij/zij van die goederen thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening;
  • iedere partij behoudt de eigen bankrekening, waarbij de saldi wordt toegedeeld aan de partij op wiens naam de bankrekening staat, zonder nadere verrekening;
  • de auto Seat Altea met kenteken [kenteken] wordt toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening;
  • de schuld aan de gemeente Rotterdam onder nummer [nummer 1] ter zake kosten inrichting/huishoud en onder nummer [nummer 2] ter zake verhuiskosten, neemt de man voor zijn rekening en zal deze als eigen schuld voldoen.
3.5.8.
Over voornoemde schuld aan de gemeente Rotterdam merkt de rechtbank op dat dit niets afdoet aan de draagplicht van beide partijen, en dat dit ook niets afdoet aan de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van ieder van partijen jegens de gemeente. Als de vrouw door de gemeente wordt aangesproken, zal de man de vrouw vergoeden wat zij heeft betaald.
3.5.9.
De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen ter zake van de verdeling hebben getroffen in de beschikking opnemen. Het meer of anders verzochte over de boedelbestanddelen genoemd in 3.5.7. zal worden afgewezen.
3.5.10.
Ook zal worden afgewezen de verzoeken die partijen hebben ingetrokken over de verdeling, te weten:
  • het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om aan haar te voldoen de door hem onterecht ontvangen huurtoeslagen over de maanden september tot en met december 2024;
  • het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw aan hem voldoet de door hem betaalde abonnementskosten van een mobiele telefoon die de vrouw gebruikt.
3.6.
Proceskosten
in beide procedures:
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedures zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/687051 / FA RK 24-7373:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
4.3.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten dat de minderjarigen bij de man zijn:
in het kader van de weekendregeling:
  • een zaterdag per veertien dagen waartoe de man de minderjarigen om 08.00 uur ophaalt bij de vrouw en hen om 18.00 uur terugbrengt bij de vrouw, waarbij de minderjarigen bij de man hebben (avond)gegeten;
  • een weekend per veertien dagen, waartoe de man de minderjarigen op vrijdag-middag ophaalt uit school en hen op zondag om 18.00 uur terugbrengt bij de vrouw, waarbij de minderjarigen bij de man hebben (avond)gegeten;
in het kader van de vakantieregeling:
  • de helft van de zomervakantie, waartoe partijen aan het begin van elk jaar met elkaar overleggen welke weken de minderjarigen bij de man zijn, afhankelijk van hoe de bouwvakvakantie valt;
  • de eerste week van de kerstvakantie;
  • de overige vakanties worden bij helfte verdeeld, totdat een van partijen of beide partijen gaan werken en de minderjarigen daardoor naar de kinderopvang moeten. Partijen zullen dit in onderling overleg met elkaar bespreken en zij zullen de kosten voor de kinderopvang gezamenlijk delen;
  • de man neemt het ophalen en terugbrengen van de minderjarigen voor zijn rekening;
4.4.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidings-beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres 2] ;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/712606 / FA RK 25-9984:
4.8.
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.5.4. tot en met 3.5.7.;
4.9.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.10.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 12 februari 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.