Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1170

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11978239 VV EXPL 25-717
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:629 lid 3 BWArt. 7:629 lid 7 BWartikel 15 ZAVO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing loonstop tijdens arbeidsongeschiktheid wegens weigering gesprek

De werkneemster trad op 1 augustus 2025 in dienst bij de werkgever als docente, maar meldde zich op de eerste werkdag ziek. De werkgever schakelde een arbodienst in die een inzetbaarheidsdeskundige stuurde om de re-integratie te begeleiden. De werkneemster weigerde echter meerdere keren te verschijnen op gesprekken die de werkgever had gepland om de re-integratie te bespreken, waarbij zij alleen wilde deelnemen na een consult bij de bedrijfsarts.

De werkgever stelde de loonbetaling per 10 oktober 2025 stop vanwege het niet nakomen van re-integratieverplichtingen, gebaseerd op het advies van de inzetbaarheidsdeskundige die namens de BIG-geregistreerde bedrijfsarts handelde. De werkneemster betwistte dat het advies van de inzetbaarheidsdeskundige als advies van de bedrijfsarts kon worden beschouwd en voerde aan dat zij niet verplicht was fysiek te verschijnen.

De kantonrechter oordeelde dat de inzetbaarheidsdeskundige namens de bedrijfsarts mocht adviseren en dat het verzoek tot een fysiek gesprek redelijk was. De werkneemster had geen deugdelijke grond om niet te verschijnen en had ook geen deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. De loonstop was daarom terecht toegepast. Ook na een later advies van de bedrijfsarts bleef de werkneemster weg, ondanks dat de werkgever zelfs taxivervoer aanbood. De vordering tot opheffing van de loonstop werd afgewezen en de werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De loonstop is terecht toegepast en de vordering tot opheffing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11978239 VV EXPL 25-717
datum uitspraak: 9 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.R. van Dijk-Lopes Lima,
tegen
Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en omgeving,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.L.S.M. Heijmans-Essed.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘CVO’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 december 2025, met bijlagen;
  • de mail van [eiseres] van 19 januari 2026, met bijlagen;
  • de brief van CVO van 22 januari 2026, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van CVO;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres].
1.2.
Op 26 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiseres] met haar zus en haar gemachtigde en namens CVO [naam 1]
(vestigingsdirecteur) met de gemachtigde van CVO.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
De kern van deze zaak betreft de vraag of CVO als werkgeefster van [eiseres] terecht de loonbetaling aan [eiseres] heeft stopgezet. [eiseres] meent dat dit niet het geval is en eist daarom in dit kort geding onder meer dat de loonstop wordt opgeheven en dat CVO het achterstallige salaris vanaf 10 oktober 2025 aan haar moet betalen. CVO is het niet eens met deze eis. Zij vindt dat de loonstop op juiste gronden en rechtsgeldig is toegepast per 10 oktober 2025.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiseres] is met ingang van 1 augustus 2025 in dienst getreden bij CVO in de functie van docente op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. In dat kader is zij tewerkgesteld bij [naam school] in [plaatsnaam].
Op de datum dat [eiseres] in dienst trad bij CVO liep de zomerschoolvakantie, zodat [eiseres] pas op 1 september 2025 (de dag van de start van het nieuwe schooljaar) met haar werkzaamheden als docente kon starten. Op die dag heeft zij zich aan het begin van de middag ziekgemeld. Sindsdien heeft zij haar werkzaamheden voor CVO niet hervat.
2.3.
CVO heeft de arbodienst GOED ingeschakeld om haar te adviseren over eventuele re-integratiemogelijkheden van [eiseres]. In dat kader heeft [eiseres] op
16 september 2025 gesproken met een inzetbaarheidsdeskundige van GOED. Die inzetbaarheidsdeskundige heeft een probleemanalyse opgesteld, waarin onder meer het volgende staat:
“10 Advies stappenplan re-integratie-activiteiten
10.1
Heeft de werknemer duurzaam benutbare mogelijkheden, vermeld dan in de tabel een mogelijke route naar werkhervatting?
Vandaag heeft er een consult met GOED plaatsgevonden.
Mevrouw heeft aangegeven beperkingen te ervaren.
Zij wordt hiervoor behandeld in curatieve sector.
Er geldt geen urenbeperking op tijdelijk aangepaste arbeid rekening houdend met de beperkingen.
Dit betekent geen taken met zwaar fysieke inspanning zoals tillen/dragen/duwen en trekken.
Er moet mogelijkheid zijn tot vertreden, wisselen van houding, zitten/staan gedurende de dag.
Naarmate het herstel vordert kan het eigen werk vorm worden gegeven conform de overeengekomen functie omschrijving.
Mevrouw heeft aangegeven spanning in de arbeidsrelatie te ervaren. Ik adviseer werkgever en medewerker hierover in gesprek te gaan.
Ik adviseer werkgever en medewerker dit advies te bespreken en samen afspraken te maken.
Leg deze afspraken vast in het Plan van Aanpak en evalueer met regelmaat de voortgang.
GOED monitort het dossier op afstand er wordt geen vervolgconsult gepland.
Wanneer er stagnatie optreed door een wijziging van diagnose dan graag de inzetbaarheidsdeskundige informeren.”
In de probleemanalyse is onder “11 Ondertekening” het volgende opgenomen:
“11.3 Naam bedrijfsarts [naam 2] (Inzetbaarheidsdeskundige) in taakdelegatie van [naam 3] (Stafarts, BIG-nr: [nummer 1])”
2.4.
Daarop heeft CVO [eiseres] meerdere keren uitgenodigd voor een gesprek, maar een gesprek tussen partijen naar aanleiding van de probleemanalyse over de re-integratie van [eiseres] heeft niet plaatsgevonden.
CVO wilde het gesprek fysiek laten plaatsvinden. [eiseres] heeft voorgesteld om het gesprek via Teams te laten plaatsvinden, maar dat wilde CVO niet. Op 25 september 2025 heeft [eiseres] voorgesteld om het gesprek te laten plaatsvinden op het hoofdkantoor van CVO in Rotterdam of bij de vertrouwenspersoon op kantoor. CVO heeft ermee ingestemd om het gesprek op het hoofdkantoor van CVO in Rotterdam te laten plaatsvinden en daarvoor een aantal data voorgesteld, maar [eiseres] heeft vervolgens aangegeven dat zij geen afspraak wilde maken met CVO totdat een consult bij de bedrijfsarts zou hebben plaatsgevonden.
2.5.
CVO heeft op 3 oktober 2025 het volgende aan [eiseres] geschreven:
“(…)
Wij brengen het volgende onder uw aandacht en wijzen u op het volgende. U dient aan de verplichtingen in het kader van de Wet verbetering Poortwachter te voldoen alsmede aan uw verplichtingen in het kader van goed werknemerschap in de zin van artikel 7:611 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat u gehoor dient te geven aan adviezen van de bedrijfsarts en uitvoering dient te geven aan adviezen van de bedrijfsarts die bijdragen aan een goede invulling en uitvoering van de wederzijdse re-integratie verplichtingen.
Concreet betekent dit dat u ook tijdens ziekte als goed werknemer gehoor te geven aan redelijke verzoeken van uw werkgever waaronder de verplichting om ook tijdens ziekte gehoor te geven aan uitnodigingen voor een gesprek. Van u mag dan ook verwacht worden dat u ingaat op de uitnodiging voor een gesprek waar de bedrijfsarts u fysiek toe in staat acht.
Wij nodigen u dan ook middels deze brief uit voor een gesprek op woensdag 8 oktober om 09:00 uur. Het gesprek zal op een neutrale locatie plaatsvinden namelijk op het hoofdkantoor van CVO aan het [adres]. Bij het gesprek zijn aanwezig: ondergetekende en [naam 4] (HR adviseur CVO). U kunt zich tijdens dit gesprek desgewenst laten vergezellen door de vertrouwenspersoon van CVO, u zult daarvoor zelf zorg moeten dragen. Wij verwachten dat u bij dit gesprek aanwezig bent conform het advies van de bedrijfsarts.
Indien u de adviezen van de bedrijfsarts niet opvolgt en/of komende woensdag 8 oktober a.s. geen gehoor geeft aan onze uitnodiging voor een gesprek dan moeten wij vaststellen dat u uw re-integratie belemmert aangezien wij niet in staat zijn om op een goede wijze invulling en uitvoering te geven aan de verplichtingen die de Wet Verbetering Poortwachter ons oplegt. Dit valt in uw risicosfeer. Wij wijzen u er op dat wij in dat geval genoodzaakt zullen zijn nadere maatregelen te treffen. U dient er in dat geval rekening mee te houden dat uw opstelling en wijze van handelen consequenties zal hebben voor uw salarisbetaling en wij op grond van artikel 7:629 jo Pro artikel 15 ZAVO Pro (onderdeel van de CAO VO) genoodzaakt zijn uw volledige salaris per genoemde datum, in ieder geval per 8 oktober a.s. stop te zetten. U dient deze brief op te vatten als een waarschuwing inzake het stopzetten van het salaris zo u niet aan uw verplichtingen voldoet en niet verschijnt op het gesprek komende woensdag.
(…)”
2.6.
[eiseres] is op 8 oktober 2025 niet verschenen bij CVO voor het gesprek waarvoor zij door CVO was uitgenodigd. CVO heeft daarop de loonbetaling aan [eiseres] per 10 oktober 2025 stopgezet en deze loonstop bij brief van 10 oktober 2025 aan [eiseres] medegedeeld.
2.7.
Op 21 oktober 2025 is [eiseres] op consult bij de bedrijfsarts geweest. Naar aanleiding hiervan is als volgt gerapporteerd:
“(…)
Re-integratie advies
Het intercollegiaal consult is uitgevoerd door [naam 5], bedrijfsarts BIG-nummer [nummer 2], uit het behandelteam van
[naam 3].
Beperkingen en randvoorwaarden voor re-integratie
Werkgerelateerde knelpunten staan een optimale re-integratie in de weg. Advies aan werkgever en werknemer is om het gesprek met elkaar aan te gaan om te komen tot een passende oplossing van de werkgerelateerde knelpunten, zo nodig met een onafhankelijke derde.
Advies voor re-integratie
Gezien de ervaren beperkingen is mevrouw momenteel tijdelijk niet inzetbaar voor eigen of tijdelijk passend werk. Mevrouw wordt behandeld in curatieve sector. Bij voldoende herstel wordt geadviseerd re-integratie in passende werkzaamheden te starten voor 2 keer 2 uur per week (eigen werkzaamheden rekening houdend met de aanwezige beperkingen. In de startfase eventueel te starten vanuit huis).
(…)”
2.8.
Daarop heeft CVO bij brief van 29 oktober 2025 [eiseres] uitgenodigd voor een gesprek op 4 november 2025. CVO heeft daarbij aangegeven dat [eiseres] zich desgewenst kan laten vergezellen door de vertrouwenspersoon van CVO of haar zus en CVO heeft voorgesteld om voor het vervoer van [eiseres] op kosten van CVO een taxi te regelen. [eiseres] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt en is op
4 november niet verschenen bij CVO voor een gesprek.
Juridisch kader kort geding
2.9.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de gedaagde partij als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
2.10.
Het spoedeisend belang bij de vordering(en) van [eiseres] vloeit in deze zaak voort uit de aard van de loonvordering.
De loonstop was terecht en er zijn geen redenen om de loonstop vanaf een bepaalde datum op te heffen
2.11.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af, omdat CVO de loonstop terecht heeft toegepast en er geen redenen zijn om de loonstop vanaf een bepaalde datum op te heffen. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wettelijk kader loonstop
2.12.
In de wet is (limitatief) opgesomd in welke gevallen een werkgever een loonstop mag toepassen ten opzichte van een arbeidsongeschikte werknemer. De kantonrechter begrijpt uit het standpunt van CVO dat zij zich er op beroept dat zij de loonstop per
10 oktober 2025 heeft toegepast op grond van artikel 7:629 lid 3 aanhef Pro in verbinding met sub d BW. Daarin staat - kort gezegd – dat een werknemer het recht op doorbetaling van zijn loon tijdens ziekte niet heeft in de periode dat hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de bedrijfsarts gegeven redelijke voorschriften die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten.
Inzetbaarheidsdeskundige mocht namens bedrijfsarts adviseren
2.13.
De loonstop is gebaseerd op het standpunt van CVO dat [eiseres], ondanks het advies van de bedrijfsarts van 16 september 2025, heeft geweigerd om op gesprek te komen bij CVO op 8 oktober 2025. Volgens [eiseres] is het advies van 16 september 2025 geen advies van de bedrijfsarts, omdat zij op die dag heeft gesproken met een inzetbaarheidsdeskundige en het advies niet de visie van een BIG-geregistreerde bedrijfsarts betreft. Tussen partijen is dus in geschil of er sprake was van een advies van de bedrijfsarts waar CVO de loonstop uiteindelijk op heeft gebaseerd. De kantonrechter beantwoordt dit geschilpunt als volgt.
De inzetbaarheidsdeskundige heeft op 16 september 2025 in taakdelegatie van een bedrijfsarts (die BIG-geregistreerd is) met [eiseres] gesproken en naar aanleiding daarvan een probleemanalyse met een advies opgesteld. Nergens uit blijkt dat de bedrijfsarts niet een deel van zijn (medische) taken zou mogen delegeren, aan bijvoorbeeld een inzetbaarheidsdeskundige. CVO heeft bovendien als productie 31 een verklaring van de arbodienst GOED van 22 januari 2026 overgelegd over haar werkwijze. Daarin is uitgelegd dat een inzetbaarheidsdeskundige namens de bedrijfsarts handelt, alles met de bedrijfsarts bespreekt en niets zonder toestemming van de bedrijfsarts doet.
Eén en ander acht de kantonrechter voldoende om de probleemanalyse van 16 september 2025 te beschouwen als een advies van een bedrijfsarts.
Redelijk voorschrift
2.14.
Uit de probleemanalyse blijkt duidelijk dat geadviseerd wordt dat partijen met elkaar in gesprek gaan over de spanningen die [eiseres] stelt te ervaren. Dit advies acht de kantonrechter een redelijk voorschrift dat als doel heeft om [eiseres] bij CVO te laten re-integreren, dus een redelijk voorschrift zoals bedoeld in de wet.
CVO mocht van [eiseres] verwachten dat zij fysiek een gesprek met CVO zou voeren
2.15.
Hoewel in het advies niet is opgenomen dat het gesprek fysiek zou moeten plaatsvinden, begrijpt de kantonrechter dat CVO dit graag wilde.
Allereerst acht de kantonrechter daartoe van belang dat in het advies niets is opgenomen over eventuele voorwaarden voor het voeren van een gesprek, zodat CVO er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat [eiseres] in staat werd geacht om naar een door CVO voorgestelde locatie te komen voor het voeren van een gesprek. Dat de bedrijfsarts daadwerkelijk geen beperkingen zag voor een fysiek gesprek tussen partijen blijkt naar het oordeel van de kantonrechter ook uit de mail van de inzetbaarheidsdeskundige van
25 september 2025, waarin zij in reactie op een vraag van [eiseres] heeft geantwoord met: “Het al dan niet op locatie voeren van een gesprek tussen werkgever en werknemer is zaak tussen werkgever en werknemer.”
Kennelijk heeft de bedrijfsarts geen aanleiding gezien om het advies van 16 september te wijzigen of aan te vullen, in die zin dat CVO van [eiseres] niet kon verwachten op locatie een gesprek te voeren of dat een gesprek via Teams of anderszins digitaal als redelijk alternatief zou moeten worden beschouwd.
Gelet ook op het feit dat [eiseres] feitelijk nog maar een halve dag voor CVO had gewerkt en CVO [eiseres] eigenlijk nog niet echt kende, vindt de kantonrechter het begrijpelijk en gerechtvaardigd dat zij de voorkeur gaf aan een fysiek gesprek. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken die CVO ervan moesten weerhouden [eiseres] uit te nodigen voor een gesprek op locatie. CVO heeft bovendien voldoende bereidheid getoond om [eiseres] tegemoet te komen, door in te stemmen met de door haar voorgestelde locatie. CVO heeft zich dus naar het oordeel van de kantonrechter alleszins redelijk opgesteld.
[eiseres] had geen deugdelijke grond om niet op gesprek te verschijnen
2.16.
[eiseres] heeft zich daarentegen niet redelijk opgesteld. In dit kader acht de kantonrechter van belang te noemen dat zij geen deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd, terwijl dat de aangewezen route is voor een werknemer die zich niet kan vinden in het advies van de bedrijfsarts. Nu zij geen deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd naar aanleiding van het advies van 16 september 2025, moet het advies van de bedrijfsarts van 16 september 2025 tot uitgangspunt worden genomen. Nu [eiseres] door de bedrijfsarts in staat werd geacht om een gesprek te voeren met CVO, zonder dat daarbij uitdrukkelijk is geadviseerd om het gesprek niet fysiek te laten plaatsvinden, had zij al het mogelijke moeten doen om te verschijnen op gesprekken waarvoor zij na
16 september 2025 werd uitgenodigd. Zij had objectief gezien geen deugdelijke grond om te weigeren op gesprek bij CVO te verschijnen.
CVO mocht loonstop toepassen
2.17.
Nu [eiseres] desondanks en ondanks de uitnodiging van CVO om te verschijnen op een gesprek op 8 oktober 2025, waarbij zij er uitdrukkelijk op is gewezen dat CVO een loonstop zou toepassen als zij niet zou verschijnen (artikel 7:629 lid 7 BW Pro), niet is verschenen, had CVO het recht om de loonstop per 10 oktober 2025 toe te passen. De kantonrechter acht geen feiten en/of omstandigheden aanwezig die de loonstop disproportioneel zouden maken.
Advies bedrijfsarts 21 oktober 2025 en het vervolg?
2.18.
[eiseres] lijkt zich op het standpunt te stellen dat het advies van de bedrijfsarts van 21 oktober 2025 bevestigt dat van haar niet verwacht kon worden om vóór die datum op gesprek te komen bij CVO. De kantonrechter ziet dit anders, omdat daarin niets is opgenomen over de periode tot 21 oktober 2025.
Bovendien heeft de bedrijfsarts op 21 oktober 2025 ook geadviseerd dat partijen met elkaar een gesprek aangaan “om te komen tot een passende oplossing van de werkgerelateerde knelpunten”, terwijl hij daarbij, ondanks haar beperkingen, niet heeft opgemerkt dat van [eiseres] niet verlangd zou kunnen worden om fysiek voor een gesprek met CVO te verschijnen.
2.19.
[eiseres] is ook na 21 oktober 2025 niet verschenen op een gesprek waarvoor ze uitgenodigd was, terwijl CVO nota bene taxivervoer op haar kosten voor [eiseres] wilde regelen.
2.20.
Tot aan de zitting in deze zaak heeft er helemaal geen gesprek plaatsgevonden tussen partijen, terwijl er in de tussentijd niet door een bedrijfsarts of een deskundige van het UWV is geoordeeld dat van [eiseres] niet gevergd kan worden (fysiek) een gesprek te voeren met CVO. Dit brengt mee dat de kantonrechter de verzochte opheffing van de loonstop niet toewijst.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.21.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan CVO moet betalen op € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van CVO worden begroot op € 1.009,00.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
757