ECLI:NL:RBROT:2026:1144
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bestuurlijke boete Wet dieren en toepassing artikel 7:4 Awb
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen een bestuurlijke boete van €2.500,- opgelegd door [verweerder] wegens overtredingen van de Wet dieren. De boete is gebaseerd op een rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit waarin twee overtredingen zijn vastgesteld, waaronder het niet voorkomen van condensvorming en onvoldoende bescherming van levensmiddelen.
Eiseres stelde onder meer dat zij niet tijdig was geïnformeerd over haar recht op rechtsbijstand en dat twee schriftelijke waarschuwingen ten onrechte niet in het bezwaardossier waren opgenomen tijdens de hoorzitting in bezwaar. De rechtbank oordeelt dat deze waarschuwingen wel degelijk op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en dat het ontbreken ervan in het bezwaardossier een procedureel gebrek vormt. Dit gebrek wordt echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld, mede omdat haar gemachtigde de waarschuwingen niet inhoudelijk heeft bestreden.
De overige beroepsgronden van eiseres slagen niet. De rechtbank stelt vast dat [verweerder] niet verplicht was te wijzen op het recht op rechtsbijstand omdat er geen verhoorsituatie was, en dat het rapport van bevindingen en het bijbehorende filmmateriaal voldoende bewijs leveren voor de overtredingen. Ook is de hoogte van de boete niet betwist met voldoende gronden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het boetebesluit en veroordeelt [verweerder] tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete van €2.500 wordt ongegrond verklaard en het boetebesluit blijft in stand.