Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
[naam vergunninghoudster]uit Rotterdam (vergunninghoudster)
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Partijen zijn het oneens over de vraag of de woonvoorziening kan worden aangemerkt als huishouden in de zin van artikel 1.32 van de planregels. De voorzieningenrechter stelt vast dat er voor beide standpunten argumenten zijn. In de beslissing op bezwaar zal het college zijn standpunt moeten bepalen en (nader) moeten onderbouwen. Bij de beoordeling hierna gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van het bestreden besluit, waarin is aangenomen dat het aangevraagde gebruik vergunningplichtig is.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college ervan kunnen uitgaan dat het aantal verkeersbewegingen van en naar de woonvoorziening vergelijkbaar zal zijn met dat bij een reguliere woning. Daarbij is mede van belang dat in het bestreden besluit is uitgegaan van drie wisseldiensten per etmaal van steeds één begeleider en dat ter zitting is aangegeven dat het zelfs maar om één 24-uursdienst van één begeleider per etmaal gaat. De voorzieningenrechter acht het daarom niet aannemelijk dat de verkeersbewegingen onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen veroorzaken.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het college zich wat betreft geluid en verkeer in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is in zoverre geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Voor zover het hier al om ruimtelijk relevante gevolgen gaat en niet om overlast die onder de openbare orde valt, heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat zijn te verwachten van de woonvoorziening. Het is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet nodig om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden ter bescherming van het woon- en leefklimaat.
De voorzieningenrechter ziet ook op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
(…)
(…)
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wetA. BegrippenVoor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:(…)buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
(…)
omgevingsplanactiviteit:activiteit, inhoudende:
(…)