ECLI:NL:RBROT:2026:1115

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712235 / KG ZA 25-1268
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:215 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruimingsvordering na opzegging gemengde huur- en zorgovereenkomst

Eisers en gedaagden, familie van elkaar, sloten een gemengde huur- en zorgovereenkomst waarbij gedaagden inwonen en zorg verlenen aan eisers. Eisers zegden de overeenkomst op wegens tekortkomingen in nakoming, waaronder het niet betalen van de maandelijkse vergoeding en het niet verlenen van mantelzorg en onderhoud.

Gedaagden betwistten de opzegging en beriepen zich op huurbescherming, stellende dat zij alleen een huurovereenkomst hadden en dat zorg slechts een toekomstige afspraak was. De voorzieningenrechter oordeelde dat het zorgelement overheerst en dat de wettelijke huurbescherming niet van toepassing is.

De rechter stelde vast dat gedaagden tekort zijn geschoten in de nakoming, dat de verhouding tussen partijen ernstig verstoord is en dat eisers een zwaarwegend belang hebben bij ontruiming vanwege de verslechterde gezondheid van eiser 2 en de noodzaak van passende zorg. De vordering tot ontruiming werd daarom toegewezen, met een termijn van twee weken na betekening.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt toegewezen omdat het zorgelement overheerst en gedaagden tekort zijn geschoten in nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712235 / KG ZA 25-1268
Vonnis in kort geding van 5 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

2.
[eiser 2],
te Numansdorp,
eisende partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. L.A. Jansen,
tegen

1.[gedaagde 1],

2.
[gedaagde 2],
te Numansdorp,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
hierna samen te noemen: gedaagden,
verschenen in persoon.

1.Waar gaat deze zaak over?

Partijen hebben een huur- en zorgovereenkomst met elkaar gesloten. Eisers hebben die overeenkomst opgezegd per 1 februari 2026 omdat gedaagden geen uitvoering geven aan de afspraken uit deze overeenkomst. Zij vorderen dat gedaagden worden veroordeeld de woning te verlaten en te ontruimen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 december 2026 met producties 1 tot en met 14;
  • het verweer van gedaagden met producties A en B;
  • de mondelinge behandeling gehouden op 22 januari 2026;
  • de pleitnota van de kant van eisers.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn familie van elkaar. [eiser 1] en [eiser 2] zijn de oom en tante van [gedaagde 1] en zijn partner [gedaagde 2]. De twee meerderjarige kinderen van [gedaagde 2] wonen bij gedaagden.
3.2.
Eisers zijn eigenaar van de woning en omliggend terrein aan de [adres]. Op het terrein staat een gastenverblijf en stallen, met opslag en bergruimte, voor de twee paarden en twee pony’s van [eiser 2].
3.3.
Eisers hebben beiden te maken met gezondheidsproblematiek. [eiser 1] is in 2023 in een burn-out terechtgekomen. Na een re-integratietraject vanuit huis kan hij sinds begin 2025 weer buitenshuis werken. [eiser 2] heeft psychische, neurologische en motorische problemen en dit uit zich onder meer in verlies van functionaliteit van haar benen. De gezondheidsklachten wisselen per dag. Op slechte dagen is [eiser 2] beperkt in haar mobiliteit en afhankelijk van rollator en rolstoel.
3.4.
Gedaagden woonden in een tijdelijk huurwoning. Die huurovereenkomst is per 1 oktober 2025 geëindigd.
3.5.
Partijen hebben in 2024 afspraken gemaakt over het inwonen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met de kinderen bij [eiser 1] en [eiser 2]. Deze afspraken zijn vastgelegd in een gespreksverslag van 18 november 2024. Het volgende gedeelte is relevant in deze procedure:
Afspraken inwonen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met kinderen bij [eiser 1] en [eiser 2] (18-11-2024)
Gebruik vastgoed en terrein
Uitgangspunt voor het samenwonen is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ([gedaagden]) zo nodig mantelzorg kunnen verlenen en de zorg voor de paarden op zich kunnen nemen, in ieder
geval in eerste aanleg een stukje zorg kunnen overnemen en kunnen helpen met het onderhoud van het terrein en de opstallen.”
3.6.
Eisers zijn eind 2024 naar het gastenverblijf verhuisd. Begin 2025 is de woning verbouwd en klaar gemaakt voor de komst van gedaagden. In juli 2025 zijn gedaagden met de kinderen in de woning getrokken.
3.7.
Kort nadat gedaagden in de woning zijn gaan wonen, is tussen partijen oplopende spanning ontstaan over de nakoming van de gemaakte afspraken. Eisers hebben op 22 oktober 2025 de overeenkomst met gedaagden opgezegd en hen verzocht de woning uiterlijk 31 januari 2026 te verlaten. Gedaagden hebben op 24 november 2025 laten weten dat zij zich verzetten tegen de opzegging en een beroep doen op huurbescherming.

4.Het geschil

4.1.
Eisers vorderen – kort gezegd – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat gedaagden worden veroordeeld uiterlijk 1 februari 2026 de woning te verlaten en te ontruimen, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
4.2.
Eisers voeren hiertoe het volgende aan. Eisers hebben met gedaagden een gemengde overeenkomst gesloten; een huur- en zorgovereenkomst. Het zorgelement in deze overeenkomst is overheersend. Dit betekent dat de wettelijke huurbepalingen, waaronder de huurbescherming, buiten toepassing blijven.
Gedaagden zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij zijn in juli 2025 in de woning getrokken, maar hebben in juli en september de maandelijkse bijdrage niet voldaan. Gedaagden hebben ook geen mantelzorg aan [eiser 2] verleend, niet of nauwelijks gezorgd voor de paarden en pony’s en het terrein niet onderhouden. Eisers hebben daarom de overeenkomst opgezegd en gedaagden verzocht de woning uiterlijk 31 januari 2026 te verlaten. Gedaagden geven daar ten onrechte geen gehoor aan.
Eisers hebben spoedeisend belang bij het vertrek van gedaagden uit de woning. De gezondheid van [eiser 2] is de afgelopen tijd verslechterd. Dit wordt nog verergerd door de spanning tussen partijen. [eiser 2] heeft zorg en hulp nodig. Eisers hebben een ander echtpaar bereid gevonden die zorg en hulp te bieden. Het echtpaar woont echter op afstand en daarom hebben eisers de woning nodig, zodat dat andere echtpaar daarin zijn intrek kan nemen.
4.3.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering.
Gedaagden stellen zich op het standpunt dat zij alleen een huurovereenkomst met eisers hebben gesloten. De verplichting tot betaling van een maandelijkse vergoeding is nagekomen. In de maanden juli en september zijn de verschuldigde bedragen contant betaald.
Gedaagden hebben geen zorgovereenkomst met gedaagden gesloten. De afspraken over de hulp aan [eiser 2], de verzorging van de paarden en het onderhoud aan het terrein moeten worden gezien als een vorm van vrijgevigheid.
In de maanden juli en september is zorg en hulp geboden, maar dat was niet vaak nodig omdat het goed ging met [eiser 2]. Ook had [eiser 2] een meisje geregeld om voor de paarden en pony’s te zorgen. In verband met vervelende privéomstandigheden konden gedaagden geen zorg en hulp bieden.
De afspraak in het gespreksverslag van 18 november 2024 over mantelzorg heeft betrekking op de toekomst en moest nog verder worden ingevuld, waarbij van belang is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beiden geen zorgachtergrond hebben.
Volgens gedaagden was de opzegging onterecht. Zij beroepen zich op huurbescherming en stellen daarnaast een zwaarwegend belang te hebben om de woning te behouden. Vanwege de situatie op de huurmarkt en persoonlijke financiële problematiek is het niet mogelijk op korte termijn een andere woning te vinden.

5.De beoordeling

5.1.
De vordering van eisers strekt tot ontruiming van de woning. De voorzieningenrechter zal deze vordering toewijzen en overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Vast staat dat partijen in de loop van 2024 meerdere keren met elkaar hebben gesproken over de inwoning van gedaagden bij eisers. Zij hebben conceptafspraken gemaakt, die na de nodige aanpassingen uiteindelijk zijn vastgelegd in het gespreksverslag 18 november 2024. Eisers hebben – aan de hand van dit gespreksverslag – voldoende aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is van een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 BW Pro. Het huurelement in deze overeenkomst houdt in dat eisers hun woning beschikbaar stellen aan gedaagden. Gedaagden voldoen aan eisers een bedrag van € 500,00 per maand en dragen (bij helfte) bij in de gebruikerslasten en kosten van onderhoud. Het zorgelement in de overeenkomst houdt in dat gedaagden zo nodig mantelzorg verlenen aan [eiser 2], haar paarden en pony’s verzorgen en het terrein bij de woning onderhouden. De zorgverlening – de mantelzorg, de dierverzorging en het onderhoud van het terrein – kan niet worden gesplitst van de verhuur van de woning. Anders dan gedaagden betogen, blijkt uit niets dat de afspraak over de mantelzorg betrekking had op de toekomst en nog moest worden uitgewerkt. Uit de stukken en de verklaringen van partijen ter zitting blijkt voldoende dat [eiser 2] vanwege haar gezond nu al zorg nodig heeft. Dat ook de dieren verzorging en het terrein onderhoud nodig hebben is evident.
5.3.
Bij een gemengde overeenkomst moet worden beoordeeld of sprake is van een overheersend element, dat ervoor zorgt dat de regels van beëindiging van de huurovereenkomst of de regels van de opzegging van de zorgovereenkomst voorrang moeten krijgen. Overheerst het zorgelement, zoals eisers stellen, dan zijn de wettelijke huurbeschermingsbepalingen niet van toepassing en slaagt het beroep van gedaagden daarop niet.
5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het zorgelement in de overeenkomst centraal staat en overheerst. Eisers hebben overtuigend toegelicht dat de strekking van de overeenkomst was dat zij zorg van gedaagden zouden ontvangen. De verhuur van de woning is daar uit praktisch oogpunt aan toegevoegd. Daardoor kwamen gedaagden dichtbij te wonen en konden zij eenvoudig aan eisers de afgesproken zorg verlenen. Bijkomend voordeel was dat gedaagden na het einde van hun tijdelijke huurovereenkomst vervangende woonruimte hadden. Het zwaartepunt van de overeenkomst lag er echter klaarblijkelijk niet in gedaagden van een woning te voorzien.
5.5.
De voorzieningenrechter betrekt hierin ook dat de door gedaagden te betalen vergoeding van € 500,00 dusdanig laag is, dat deze niet kan gezien als een reële vergoeding voor het gebruik van de woning. Aannemelijk is dat de vergoeding niet voldoende is om de aan de woning verbonden vaste lasten te dekken en ook niet in verhouding staat tot de waarde van de woning. De laatste bekende WOZ-waarde was € 610.000,00 en eisers schatten dat de taxatiewaarde van het onroerend goed € 750.000,00 zal zijn. Gedaagden hebben deze stellingen niet betwist, zodat de voorzieningenrechter van de juistheid daarvan uitgaat.
5.6.
Eisers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
Eisers stellen dat gedaagden de maandelijkse vergoeding van € 500,00 in juli en september niet hebben gedaan. Gedaagden hebben daar onvoldoende verweer tegen gevoerd. Zij beroepen zich erop de betreffende vergoedingen contant te hebben voldaan, maar hebben dit tegenover de betwisting door eisers niet concreet gemaakt. Dat komt voor risico van gedaagden, omdat zij de contante betalingen voldoende aannemelijk moeten maken.
Eisers hebben ook voldoende toegelicht dat gedaagden in strijd met de afspraken sinds hun intrek in de woning geen zorg hebben verleend, terwijl dit wel nodig was. Eisers hebben hierover verklaard dat de gezondheid van [eiser 2] in de afgelopen maanden is achteruitgegaan, met verwijzing naar de verklaring van de behandelend GZ-psycholoog. Eisers hebben gedaagden om hulp gevraagd, maar zij hielden dit af en/of waren niet bereikbaar. Dit was voor eisers de reden dat zij een meisje uit de buurt hebben gevraagd om te helpen met de dierverzorging. Gedaagden hebben hier weinig tegen ingebracht. Zij hebben slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat het volgens hen best goed ging met de gezondheid van [eiser 2] en dat hulp – ook vanwege de aanwezigheid van het buurmeisje – niet of nauwelijks nodig was. Verder hebben gedaagden erkend dat zij het terrein niet volledig onderhouden. Ook dat is in strijd met de gemaakte afspraken.
5.7.
Omdat het mede gaat om het woonverblijf van gedaagden, gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat eisers een zwaarwegende reden moesten hebben om de overeenkomst rechtsgeldig te kunnen opzeggen. Uit het voorgaande volgt dat gedaagden op verschillende punten zijn tekort geschoten in de nakoming van hun verbintenissen, waaronder met betrekking tot het overheersende element van de overeenkomst, namelijk het verlenen van zorg en het verrichten van onderhoud. Hiermee is voldoende aannemelijk dat sprake was van een zwaarwegende reden om tot opzegging over te gaan. Hierbij komt overigens nog de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen, waarover meer hierna. Eisers hebben bij de opzegging een termijn van ruim drie maanden in acht genomen. Die termijn is naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijk.
5.8.
Gedaagden hebben terecht opgemerkt dat de timing van de opzegging ongelukkig was. Partijen waren na de zomer in gesprek over de klachten van eisers over de nakoming van de afspraken, maar hadden in verband met persoonlijke omstandigheden van gedaagden afgesproken een rustperiode in te lassen en begin november 2025 verder te praten. Desondanks hebben eisers op 22 oktober 2025 de overeenkomst opgezegd. Voldoende is echter komen vast te staan dat de verhoudingen tussen partijen op dat moment al zo verziekt waren, dat het geen zin meer had de rustperiode af te wachten. [gedaagde 2] heeft dit ter zitting bevestigd en verklaard dat zij niet verwacht dat de relatie tussen partijen zal herstellen. Zij heeft ook verklaard dat zij geen mantelzorg aan [eiser 2] wil verlenen, omdat zij geen zorgachtergrond heeft en vanwege de verstoorde verstandhouding. De voorzieningenrechter maakt daaruit op dat enig perspectief op verbetering van de verhoudingen tussen partijen en het alsnog nakomen van afspraken uit de overeenkomst ontbreekt.
5.9.
Bij deze stand van zaken is het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de opzegging van de overeenkomst rechtsgeldig is en dus ook een vordering tot ontruiming zal toewijzen.
5.10.
Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. Eisers hebben spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming. [eiser 2] heeft vanwege haar gezondheidssituatie op korte termijn passende zorg nodig. Eisers hebben een ander echtpaar bereid gevonden de benodigde zorg te verlenen. Dit echtpaar woont echter op afstand en hebben woonruimte in de buurt nodig. Zolang gedaagden de woning bezet houden, kunnen zij eisers nog niet helpen. Dit maakt dat van eisers niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.
Het belang van gedaagden om in de woning te kunnen blijven wonen weegt hier niet tegenop. De bestaande situatie is zoals hiervoor overwogen onhoudbaar en daar zijn gedaagden al enige tijd van op de hoogte. Zij hebben inmiddels enkele maanden gelegenheid gehad vervangende woonruimte te zoeken, maar zij hebben niet gesteld dat zij dat hebben geprobeerd.
5.11.
De gevorderde ontruimingsdatum is inmiddels verstreken. De ontruimingstermijn wordt bepaald op twee weken na de betekening van dit vonnis.
5.12.
Gedaagden krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisers worden begroot op:
  • dagvaarding € 146.43
  • griffierecht € 331,00
  • salaris advocaat € 1.107,00
  • nakosten € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.762,43
5.13.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat gedaagden ieder kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt gedaagden om uiterlijk twee weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van eisers zijn, en de sleutels af te geven aan eisers,
6.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.763,43, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.
3280/1980