ECLI:NL:RBROT:2026:1114

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/4195
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WhtArt. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Rotterdam compenseert deels betaalde schuld in kinderopvangtoeslagaffaire

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vordert compensatie van een door haar betaalde schuld aan een bedrijf, die de minister had geweigerd te vergoeden wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank stelt vast dat de schuld blijkt uit een factuur van 2018 en dat eiseres een bedrag van € 1.000,- via Tikkie heeft betaald aan het rekeningnummer van het bedrijf, wat voldoende bewijs vormt voor compensatie. Voor het overige deel van de schuld is onvoldoende bewijs geleverd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover geen compensatie is verleend voor het bedrag van € 1.000,- en bepaalt dat de minister dit bedrag aan eiseres moet vergoeden. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor compensatie en de zorgvuldigheid die de minister in het proces moet betrachten, maar bevestigt dat de minister niet verplicht is zelf onderzoek te doen naar de schuld.

De uitspraak is gedaan door rechter A.J. van Spengen op 11 februari 2026 en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De minister moet een bedrag van € 1.000,- aan eiseres compenseren en griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4195

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: mr. H. Polat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om een door eiseres betaalde schuld te compenseren. Eiseres is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de schuld voor een deel had moeten compenseren, omdat er voldoende bewijs voor dit deel van de schuld is. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de minister de schuld tot een bedrag van € 1.000,- moet compenseren.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 september 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de betaalde schuld van eiseres te compenseren.
2.1.
Met het besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Belastingdienst/Toeslagen in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart.
3.1.
Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden (het Besluit), dat gold vanaf
29 oktober 2021. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3.2.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) schuldenlijsten verstrekt. Bij het primaire besluit is geweigerd om de door eiseres betaalde schuld aan [naam bedrijf] B.V. ([naam bedrijf]) van € 4.182,01 over te nemen. De vordering wordt niet overgenomen op grond van code 13. Deze code houdt in:
“Dit bedrag betalen wij niet terug omdat wij de schuld niet goed kunnen beoordelen. Wij hebben u om extra bewijs gevraagd maar dat hebt u niet (op tijd of compleet) aangeleverd.”
3.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de minister om de schuld over te nemen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd.
Standpunt eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat zij niet in staat is om de gevraagde bewijsstukken aan te leveren, omdat sprake is van een verstoorde vertrouwensrelatie met de eigenaresse van [naam bedrijf]. Het kan haar daarom niet worden verweten dat zij niet in staat is om meer informatie te overleggen. Eiseres stelt dat de minister over voldoende informatie beschikt. Er is bewijs van bankafschriften en Tikkies overgelegd, waaruit blijkt dat eiseres de schuld heeft betaald nadat zij haar compensatie heeft ontvangen. Als de minister meent dat er te weinig informatie over de schuld is, is het de taak van de minister om contact op te nemen met de schuldeiser om zo de benodigde informatie op te vragen. Dat de minister dit niet gedaan heeft is volgens eiseres in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de weigering van het betalen van de schuld van eiseres terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na
31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [1] De minister verleent compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. [2] De compensatie wordt verleend voor een geldschuld die is voldaan na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. In het onderhavige geval staat vast dat eiseres de schuld heeft betaald na het ontvangen van haar compensatiebedrag op
30 oktober 2023.
8. De minister heeft vergoeding van de schuld geweigerd, omdat eiseres, ondanks dat zij daartoe verschillende keren in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende bewijs van het ontstaan en de opeisbaarheid van de schuld heeft verstrekt. Er is geen rekeningoverzicht (een overzicht met facturen en betalingen) overgelegd, op de factuur is handmatig een bedrag bij geplaatst, en ook de overgelegde Tikkies en (ongedateerde) betaalbewijzen bieden het benodigde inzicht in de schuld niet.
9. De rechtbank overweegt als volgt. In het kader van de aanvraag van eiseres heeft de minister inzicht nodig in de schulden die eiseres met het forfaitaire bedrag als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht heeft voldaan. Daartoe is bewijs nodig. Dat bewijs dient in beginsel door eiseres, als aanvrager, verstrekt te worden. Van eiseres mag in het algemeen worden verwacht dat zij de beschikking kan krijgen over de stukken die kunnen onderbouwen dat de schuld voldoet aan de voorwaarden voor overname of compensatie op grond van de Wht. De minister is in beginsel niet verplicht bij al betaalde schulden zelf onderzoek naar de schuld te doen.
10. In dat licht overweegt de rechtbank dat de schuld blijkt uit de factuur van [naam bedrijf] van 5 december 2018 (bestelling van meubels). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende onderbouwd dat het bestaan van de schuld onaannemelijk zou zijn doordat de factuur er afwijkend uit zou zien of doordat er handmatig een bedrag van € 887,- op de factuur is bijgezet. Volgens de factuur dient de schuld binnen veertien dagen na de datum van de factuur te worden betaald. Over de opeisbaarheid van de schuld is geen discussie. Eiseres heeft screenshots van betaalverzoeken (Tikkies) en bankafschriften overgelegd. Hieruit blijkt dat zij na ontvangst van het compensatiebedrag in 2023 en 2024 meerdere bedragen heeft overgemaakt via Tikkie aan twee verschillende rekeningnummers.
10.1.
Op 15 november 2023 heeft eiseres, via Tikkie zakelijk, een bedrag van € 1.000,- overgemaakt naar een rekeningnummer dat overeenkomt met het rekeningnummer van [naam bedrijf] dat op de door eiseres overgelegde factuur van 5 december 2018 staat vermeld. De rechtbank ziet hierin geen onduidelijkheden. De betaling is aan de schuld te relateren. Dit bedrag had door de minister gecompenseerd dienen te worden.
10.2.
Voor wat betreft de overige Tikkies die eiseres heeft betaald volgt uit het dossier dat deze Tikkies aan een privérekening zijn betaald op naam van [naam], de eigenaresse van [naam bedrijf]. Er ontbreekt daarbij enige referentie aan de schuld aan [naam bedrijf] uit 2018, of een begeleidend bericht aan de hand waarvan de relatie tussen de betaling en de schuld aan [naam bedrijf] valt te leggen. De minister heeft de door eiseres overgelegde bewijsstukken gecontroleerd en daaruit is gebleken dat het rekeningnummer waarop de betalingen aan Wiels zijn gedaan, niet (meer) bestaat. Daarnaast is [naam bedrijf] een rechtspersoon en komen eventuele vorderingen uitsluitend aan die vennootschap toe. De betalingen die aan een privérekening zijn betaald kunnen daarom niet zonder nadere, objectieve onderbouwing worden beschouwd als betalingen op een schuld van de B.V.
11. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat de door eiseres aangeleverde bewijsstukken onvoldoende zijn om het overige deel van de schuld te kunnen beoordelen, waardoor dit deel van de schuld niet voor vergoeding in aanmerking kan komen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat in het bestreden besluit geen compensatie is verleend voor de schuld aan [naam bedrijf] tot een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre.
13. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat de minister aan eiseres compensatie moet verlenen voor de schuld aan [naam bedrijf] tot een bedrag van € 1.000,-.
14. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding van de kosten in beroep is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De proceskostenvergoeding bedraagt in beroep in totaal € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1) en in bezwaar € 1.332,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2025 voor zover daarin geen compensatie voor een deel (€ 1.000,-) van de schuld aan [naam bedrijf] is verleend;
- bepaalt dat de minister € 1.000,- compensatie aan eiseres verleent;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt minister tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt verweerder een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Op grond van artikel 4.1, derde lid van de Wht worden geldschulden en kosten overgenomen, die zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid van de Wht verleent Onze Minister aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.