Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
2.De verdere beoordeling
3.De beslissing
3961/2459
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure tussen Brabo Dubai en Brabo Nederland heeft de rechtbank Rotterdam op 28 januari 2026 uitspraak gedaan over de niet-ontvankelijkheid van Brabo Dubai in de hoofdzaak. Brabo Dubai had geen zekerheid gesteld voor de proceskosten, terwijl de rechtbank dit bij een eerder incidentvonnis van 3 september 2025 had bevolen. Brabo Dubai stelde een verrekenbare tegenvordering voor als zekerheid, bestaande uit verbeurde dwangsommen uit een Belgisch vonnis, maar Brabo Nederland betwistte de verbeurdverklaring en stelde dat deze tegenvordering geen voldoende zekerheid bood.
De rechtbank oordeelde dat de aangeboden verrekenbare tegenvordering niet voldeed aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW Pro, omdat deze onzekerheid liet bestaan over de verhaalbaarheid van de proceskosten en het risico bestond dat andere entiteiten de dwangsommen zouden voldoen. Daarom werd Brabo Dubai niet-ontvankelijk verklaard in de hoofdzaak. Tevens werd Brabo Dubai veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, begroot op €7.960,00, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
De uitspraak benadrukt het belang van het stellen van voldoende zekerheid voor proceskosten in handelsgeschillen en bevestigt dat verrekenbare tegenvorderingen niet als zekerheid kunnen gelden indien de verhaalbaarheid onzeker is. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in het openbaar uitgesproken door rechter D.L. Spierings.
Uitkomst: Brabo Dubai is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid voor proceskosten en veroordeeld tot betaling van proceskosten en rente.