De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank om [minderjarige 1], [minderjarige 2] en het ongeboren [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Er zijn ernstige zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen, veroorzaakt door spanningen in de thuissituatie en het onvermogen van de ouders om voldoende aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Hoewel er al veel hulpverlening is betrokken, lukt het de ouders niet om hier voldoende van te profiteren, mede door een ambivalente houding ten opzichte van hulp.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, betoogden de ouders dat zij hun best doen en dat de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling (GI) niet nodig is. De GI zelf twijfelt aan de meerwaarde van een ondertoezichtstelling gezien de reeds aanwezige hulpverlening. De kinderrechter oordeelt echter dat de bestaande hulpverlening onvoldoende is en dat de GI een regierol moet krijgen om passende hulp te organiseren.
De kinderrechter stelt vast dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De ondertoezichtstelling geldt vanaf 14 januari 2026 tot 14 januari 2027. De beslissing is openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.