ECLI:NL:RBROT:2026:1051

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/10/710867 / JE RK 25-2464
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening ondertoezichtstelling voor drie minderjarige kinderen wegens ernstige zorgen

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank om [minderjarige 1], [minderjarige 2] en het ongeboren [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Er zijn ernstige zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen, veroorzaakt door spanningen in de thuissituatie en het onvermogen van de ouders om voldoende aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Hoewel er al veel hulpverlening is betrokken, lukt het de ouders niet om hier voldoende van te profiteren, mede door een ambivalente houding ten opzichte van hulp.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, betoogden de ouders dat zij hun best doen en dat de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling (GI) niet nodig is. De GI zelf twijfelt aan de meerwaarde van een ondertoezichtstelling gezien de reeds aanwezige hulpverlening. De kinderrechter oordeelt echter dat de bestaande hulpverlening onvoldoende is en dat de GI een regierol moet krijgen om passende hulp te organiseren.

De kinderrechter stelt vast dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De ondertoezichtstelling geldt vanaf 14 januari 2026 tot 14 januari 2027. De beslissing is openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710867 / JE RK 25-2464
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de moeder en de vader, tezamen te noemen: de ouders, wonend op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 27 november 2025, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder (via een digitale verbinding)
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI), [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , de begeleider van de moeder vanuit Pameijer. Zij heeft de zitting, samen met de moeder, digitaal bijgewoond.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] zal (in beginsel) vanaf de dag van de geboorte van rechtswege worden uitgeoefend door de moeder.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er bestaan zorgen om het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Er is sprake van veel spanning in de thuissituatie van de ouders en het lukt de ouders niet om voldoende aan te sluiten bij de (ontwikkelings)behoeften van de kinderen. De komst van [minderjarige 3] zal de bestaande zorgen mogelijk versterken. Er is al veel hulpverlening betrokken, maar het lukt de ouders niet om hierin voldoende overzicht te houden. De ouders hebben een ambivalente houding ten opzichte van het accepteren en meewerken aan de inzet van hulpverlening en worden hiermee mogelijk overvraagd. De regievoering vanuit het wijkteam is in dit kader niet meer voldoende. Het is van belang dat de GI bij het gezin betrokken raakt om de regie te voeren en te onderzoeken welke hulpverlening daadwerkelijk nodig en passend is, gelet op de leerbaarheid en de draagkracht van de ouders.

4.De standpunten

4.1.
De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Gelet op de bestaande zorgen is het begrijpelijk dat de Raad een ondertoezichtstelling van de kinderen verzoekt. Er is echter al veel hulpverlening bij het gezin betrokken. De GI vraagt zich af in hoeverre een ondertoezichtstelling van de kinderen daarnaast helpend kan zijn. Het betrokken wijkteam kan ook de regie voeren.
4.2.
De moeder voert tijdens de mondelinge behandeling verweer tegen het verzoek van de Raad. Er is al veel hulpverlening betrokken en de ouders doen hun best om hieraan mee te werken en positieve stappen te zetten. Het klopt dat de moeder voorzichtig is met [minderjarige 1] , omdat hij een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) heeft en sommige dingen voor hem gevaarlijk zijn. Het klopt ook dat [minderjarige 2] niet altijd (op tijd) naar school gaat. De moeder is zwanger, waardoor het soms lastig is om op tijd op te staan en [minderjarige 2] hiernaartoe te brengen. [minderjarige 2] is nog niet leerplichtig, dus het is niet erg als zij af en toe niet naar school gaat. De betrokkenheid van de GI is niet nodig.
4.3.
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling verweer tegen het verzoek van de Raad. De ouders hebben zelf om hulp en ondersteuning gevraagd. Er is al veel hulpverlening betrokken en de ouders doen hun best om hieraan mee te werken en positieve stappen te zetten. Alle zaken voor de komst van [minderjarige 3] zijn inmiddels ook geregeld. De betrokkenheid van de GI is niet nodig.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er ernstige zorgen bestaan om het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Er bestaan zorgen om de leefomgeving, de spanningen tussen de ouders en de mate waarin het de ouders lukt om aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Er is al veel hulpverlening betrokken en de ouders doen hun best om hieraan mee te werken en positieve stappen te zetten. Hierdoor zijn de afgelopen periode ook stappen gezet, maar nog onvoldoende om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. De ouders lijken te worden overvraagd door de hoeveelheid hulpverlening die betrokken is, waardoor het niet altijd lukt om hier daadwerkelijk van te profiteren. De bestaande zorgen kunnen daarbij, met de aankomende geboorte van het nog ongeboren kind, versterken. Het wijkteam heeft tot op heden de regie gevoerd, maar dit is in het kader van de bestaande zorgen niet voldoende. Het is van belang dat de GI de aankomende periode betrokken raakt, zodat er een vaste jeugdbeschermer komt die de regie kan gaan voeren en kan onderzoeken welke hulpverlening daadwerkelijk nodig en passend is.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter merkt [minderjarige 3] daarom aan als reeds geboren [2] en stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beschouwt [minderjarige 3] als geboren;
6.2.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 14 januari 2026 tot 14 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door
mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:2 BW Pro.