In deze zaak huurde een duo van 2 juni 2022 tot 18 november 2023 een woning van eiseres. Gedurende deze periode ontstond een huurachterstand van €2.987,38, die eiseres vorderde te voldoen. De kantonrechter oordeelde dat beide huurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige huurachterstand, ook al betwistte de tweede huurder zijn betalingsverplichting omdat hij betalingen aan de eerste huurder had gedaan en sinds september 2023 niet meer in de woning woonde.
De kantonrechter verwierp het verweer dat betaling aan de medehuurder bevrijdend zou zijn, omdat beide huurders als contractspartijen op de huurovereenkomst staan en eiseres niet gebonden is aan onderlinge afspraken tussen huurders. Ook het feit dat één huurder op een ander adres is ingeschreven, maakt hem niet ontslagen van zijn verplichtingen, aangezien opzegging door één huurder alleen effect heeft als eiseres daarmee instemt, wat niet is gebeurd.
Verder wees de kantonrechter de vordering tot incassokosten en rente af vanwege een oneerlijke boetebepaling in de algemene huurvoorwaarden die afwijkt van de wettelijke regeling. De proceskosten werden toegewezen aan de huurders, begroot op €1.308,97. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor onmiddellijke uitvoering mogelijk is ondanks eventuele hoger beroep procedures.