ECLI:NL:RBROT:2025:9848
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring officier van justitie in vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De officier van justitie heeft op 25 januari 2019 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend. Voorafgaand aan de terechtzitting op 27 juni 2025 zijn procesafspraken gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde, waarbij ook afspraken zijn gemaakt over de afdoening van de strafzaak en de ontnemingsprocedure.
Tijdens de terechtzitting heeft de rechtbank de partijen gehoord en vastgesteld dat de veroordeelde in de strafzaak is veroordeeld voor het dealen van harddrugs, het voorhanden hebben van harddrugs en deelname aan een criminele organisatie. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben primair verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering, en subsidiair om de vordering af te wijzen op grond van de gemaakte procesafspraken.
De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende strafrechtelijk belang bestaat bij de ontnemingsvordering, mede omdat de veroordeelde afstand doet van de in beslag genomen goederen of de tegenwaarde daarvan. Hierdoor voldoet het Openbaar Ministerie aan de procesafspraak om geen ontnemingsprocedure voort te zetten. De rechtbank verklaart daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.