Verzoekster diende een verzoek in tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij zij een schuldregeling aanbood met een saneringskrediet zonder afloscapaciteit (nulaanbod). Verzoekster werkt parttime en ontvangt een aanvullende uitkering. Twaalf schuldeisers stemden in met de regeling, maar Havensteder, schuldeiser met een vordering van 36,41% van de totale schuld, weigerde.
Havensteder stelde dat de achterstanden niet tijdens de coronapandemie zijn ontstaan en dat verzoekster niet het maximaal haalbare aanbod deed, omdat niet is aangetoond dat zij niet fulltime kan werken. De rechtbank vond dat verzoekster onvoldoende had gemotiveerd waarom zij niet meer uren zou kunnen werken en dat zij nog niet actief had gesolliciteerd naar een fulltime dienstverband.
De rechtbank oordeelde dat het belang van Havensteder als grote schuldeiser zwaarder weegt dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers. Het aanbod is onvoldoende om te kunnen concluderen dat het het uiterste is wat verzoekster kan bieden. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.