Eiseres heeft een subsidie aangevraagd voor het uitkeren van bonussen aan zorgprofessionals in het kader van COVID-19. De minister stelde de subsidie uiteindelijk op nihil vast, omdat eiseres volgens hem niet had aangetoond dat de bonussen waren uitbetaald en dat belasting was afgedragen. De minister stelde hoge eisen aan de bewijsstukken, waaronder bankafschriften, maar gaf niet concreet aan waaraan deze moesten voldoen.
De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de minister niet duidelijk maakte welke eisen aan de bankafschriften werden gesteld en onterecht aanvullende eisen stelde die niet in de Subsidieregeling zijn opgenomen, zoals het tijdstip van verwerking van de bonussen in de salarissen en het ontbreken van een factuur van een derde.
De rechtbank verwerpt het bezwaar dat de minister niet bevoegd was tot het houden van een steekproef en oordeelt dat de steekproef niet onrechtmatig was. Wel is vastgesteld dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat belasting over de bonussen is afgedragen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de minister concreet moet aangeven welke eisen aan de bewijsstukken worden gesteld. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.