Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:9591

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
FT RK 25/502
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 6 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillietverklaring wegens betalingsonmacht en vervallen betalingsregeling

Op 20 mei 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een faillissementsprocedure op verzoek van twee besloten vennootschappen tegen verweerder, handelend onder een handelsnaam. De rechtbank stelde vast dat verweerder het bestaan van de vorderingsrechten van verzoeksters niet betwistte en dat deze vorderingen opeisbaar waren.

De rechtbank oordeelde dat verweerder in een toestand verkeert waarin hij is opgehouden te betalen. Hoewel er een betalingsregeling bestond, is deze op 4 februari 2025 komen te vervallen. Verweerder verrichtte daarna twee deelbetalingen zonder instemming van verzoeksters, maar dit leidde niet tot een nieuwe betalingsregeling. Verzoeksters verklaarden dat geen nieuwe regeling tot stand was gekomen.

Gezien het ontbreken van een nieuwe betalingsregeling en het niet beschikken over voldoende activa om schulden te voldoen, concludeerde de rechtbank dat verweerder failliet verklaard moet worden. Tevens werd een rechter-commissaris en curator benoemd en kreeg de curator de bevoegdheid brieven en telegrammen te openen die aan de gefailleerde zijn gericht.

Uitkomst: Verweerder wordt failliet verklaard wegens het niet nakomen van betalingsverplichtingen en het ontbreken van een nieuwe betalingsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 20 mei 2025
VONNIS op het op 28 maart 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster sub 1,
2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verzoekster sub 2,
hierna tezamen te noemen: verzoeksters,
advocaat mr. E.T. van den Hout,
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerder],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
aldaar tevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,
verweerder.

1.De procedure

Verzoeksters, bij monde van mr. D.L.A. van Voskuilen, advocaat, en verweerder zijn op
20 mei 2025 in raadkamer gehoord.
Naar aanleiding van de bij artikel 3 van Pro de Faillissementswet voorgeschreven brief van de griffier van 28 maart 2025 is geen verzoekschrift ingediend.

2.De beoordeling

Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Beoordelingskader
Ingevolge artikel 6 van Pro de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Bestaan vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers
De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestaan van het vorderingsrecht van verzoeksters niet heeft betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van het vorderingsrecht van verzoeksters en daarmee ook van pluraliteit van schuldeisers summierlijk is gebleken. Beide vorderingsrechten zijn, uit hoofde van vervallen facturen, bovendien opeisbaar.
Faillissementstoestand
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank voorts vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat verweerder de vordering van verzoeksters onbetaald laat. Verweerder had met verzoeksters een betalingsregeling, maar deze is op 4 februari 2025 komen te vervallen. Dat verweerder daarna uit eigen beweging, zonder instemming van verzoeksters, nog twee deelbetalingen van € 500,00 heeft verricht, maakt niet dat de betalingsregeling is hervat. Verzoeksters hebben verklaard dat geen (nieuwe) betalingsregeling tot stand is gekomen. Nu geen betalingsregeling tot stand is gekomen en niet is gebleken dat verweerder thans over voldoende actief beschikt om zijn schulden te betalen, is de rechtbank van oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [verweerder] voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. B.T.M. van Honk, advocaat te Rotterdam;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025 te 14:00 uur. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.