De officier van justitie verzocht op 16 juli 2025 om voortzetting van een crisismaatregel voor betrokkene, die ongeveer een maand eerder was opgenomen vanwege een psychotisch toestandsbeeld. Betrokkene was toen tien weken zwanger en had aanvankelijk een abortuswens, maar koos later vrijwillig voor voortzetting van de zwangerschap en klinische opname. Na het afwijzen van de voortzetting van de crisismaatregel verliet zij de kliniek en werd zij in een vervuilde woning aangetroffen met psychotische klachten en onder invloed van middelen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 juli 2025 verklaarde betrokkene nu ongeveer 15 weken zwanger te zijn en opnieuw een abortus te willen ondergaan. De arts stelde dat opname noodzakelijk is om terugval in middelengebruik en psychotische symptomen te voorkomen, zodat betrokkene later een weloverwogen keuze kan maken. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychotische stoornis met restsymptomen, vermoedelijk veroorzaakt door middelengebruik.
De rechtbank achtte het toedienen van medicatie, het beperken van bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie noodzakelijk en proportioneel. Andere vormen van verplichte zorg werden niet noodzakelijk geacht. Betrokkene verzette zich tegen de zorg en wilde naar huis, maar er waren geen minder bezwarende alternatieven. De machtiging werd verleend voor de duur van één week, gericht op het laten verdwijnen van de psychotische restverschijnselen.
De beschikking werd mondeling gegeven door rechter E. IJspeerd op 18 juli 2025 en schriftelijk uitgewerkt op 28 juli 2025. Tegen deze beschikking staat cassatie open.