Verzoekers exploiteren een autoschadeherstelbedrijf waarvoor een exploitatievergunning vereist is. De burgemeester heeft in juli 2024 vergunningen verstrekt onder voorwaarde van een positieve Bibob-onderzoek. Na een integrale controle in januari 2025 bleek dat iemand anders dan de op de vergunningen vermelde personen feitelijk de leiding had, wat duidt op schijnbeheer.
De burgemeester trok daarop de vergunningen in en liet het bedrijf sluiten. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening om hun bedrijf open te houden. De voorzieningenrechter behandelde het spoedeisende verzoek op 21 juli 2025.
Uit verklaringen en het rapport bleek dat een persoon die niet op de vergunningen stond, de feitelijke leiding had en dat de op de vergunningen genoemde beheerders niet daadwerkelijk de leiding voerden. Dit vormde een geldige grond voor intrekking volgens het Handhavingsarrangement vergunningplicht.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er sprake was van schijnbeheer en dat de burgemeester terecht de vergunningen had ingetrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waardoor het bedrijf niet meer mocht worden geëxploiteerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.V. van Baaren op 25 juli 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.