Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:8838

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
C/10/701132 / JE RK 25-1174
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden voor een minderjarige geboren in 2009. De minderjarige verbleef op dat moment bij een jeugdzorginstelling en was eerder onder toezicht gesteld en tijdelijk geplaatst met gesloten jeugdhulp.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de minderjarige, haar advocaat, de ouders met een tolk en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig. De minderjarige gaf aan niet bang te zijn om naar huis te gaan en voelde zich veilig. De ouders stelden dat de thuissituatie stabiel is en stonden open voor hulpverlening. De GI uitte zorgen over het weglopen van de minderjarige en de risico's daarvan, maar erkende ook de visie van de jeugdzorg dat een thuisplaatsing met intensieve hulp de beste kans van slagen heeft.

De kinderrechter voerde een indringend gesprek met de minderjarige en concludeerde dat zij ambitieus is en verstandige keuzes wil maken. Er is geen sprake van schending van de familie-eer en de minderjarige voelt zich veilig thuis. Daarom wordt het verzoek tot gesloten jeugdhulp afgewezen. De kinderrechter benadrukte het belang van het vinden van de eigen identiteit en het behalen van diploma's voor de toekomst van de minderjarige.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp wordt afgewezen vanwege een veilige en stabiele thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701132 / JE RK 25-1174
Datum uitspraak: 10 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 17 juni 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 1 juli 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met haar advocaat;
  • de ouders bijgestaan door een telefonische tolk Iraans, A.D. Abdi;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
De kinderrechter heeft met [minderjarige] voorafgaand aan de zitting, in het bijzijn van haar advocaat, een gesprek gevoerd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [jeugdzorg] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 augustus 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juni 2025 een machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van vier weken, namelijk tot 15 juli 2025.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] te verlenen
voor de duur van vier weken. De GI verzoekt aansluitend een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden. Thans dient nog te worden beslist op het verzoek een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.
3.2.
De GI heeft het resterende deel van het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [minderjarige] heeft zich meerdere keren in situaties begeven waar de GI zich zorgen over heeft gemaakt. Sinds de laatste keer is er nog niets veranderd, behalve dat [minderjarige] nu gesloten zit. [jeugdzorg] heeft aangegeven dat zij te maken hebben met een krachtige familie en een krachtig meisje. De familie heeft aangegeven geen hulp nodig te hebben. [jeugdzorg] heeft de verwachting dat [minderjarige] ook op een andere groep haar eigen plan zal trekken. [jeugdzorg] denkt dat een thuisplaatsing van [minderjarige] met de inzet van intensieve hulpverlening de beste kans van slagen heeft. De GI snapt de visie van [jeugdzorg] , maar kan daar niet achter staan vanwege de risico’s waarvan sprake is als [minderjarige] de benen neemt. De GI weet niet wat er is gebeurd op de momenten dat [minderjarige] is weggelopen, aangezien daar geen openheid over wordt gegeven. Indien de kinderrechter beslist dat [minderjarige] naar huis kan, zou de GI graag zien dat de broer van [minderjarige] wordt betrokken in het hulpverleningstraject.

4.De standpunten

4.1.
De ouders hebben ter zitting verklaard dat [minderjarige] naar huis kan, aangezien de thuissituatie stabiel genoeg is. De ouders staan open voor hulp in de thuissituatie. Desgevraagd vertellen de ouders dat er geen sprake is van schending van de familie-eer door [minderjarige] .
4.2.
De advocaat van [minderjarige] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] heeft aangegeven behoefte te hebben aan iemand met wie zij kan praten. Er moet worden onderzocht wat de rol van de broer is en hoe de moeilijkheden tussen hem en [minderjarige] kunnen worden opgelost. [minderjarige] is namelijk het huis ontvlucht vanwege haar broer. Het is niet zo dat [minderjarige] tegen zichzelf moet worden beschermd. [minderjarige] maakt zich geen zorgen om eerwraak en voelt zich veilig om naar huis te gaan. De broer van [minderjarige] woont niet meer thuis. De advocaat schat in dat een schending van de familie-eer door [minderjarige] niet aan de orde is. Zij merkt dat ook niet aan [minderjarige] en haar ouders. [minderjarige] wil heel graag naar huis en de ouders willen graag dat [minderjarige] naar huis komt. [minderjarige] zit niet op haar plek in [jeugdzorg] .
[minderjarige] wil in de zomervakantie graag haar achterstand op school inhalen en weer gaan voetballen.
4.3.
[minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat zij niet bang is om naar huis te gaan. Haar broer woont niet meer thuis. Zij heeft laatst nog telefonisch contact gehad met haar broer. [minderjarige] is van mening dat de broer niet hoeft te worden betrokken in een hulpverleningstraject, aangezien hij zijn eigen leven heeft en niet meer bij hen thuis woont. Indien dat toch noodzakelijk is, staat zij daarvoor open.

5.De beoordeling

De kinderrechter overweegt het volgende. Het is duidelijk dat de plaatsing van [minderjarige] bij [jeugdzorg] niet passend is. Zij is daar niet op haar plek. [minderjarige] is eerder weggelopen en heeft ongelofelijk dwars gedrag laten zien, met alle risico’s van dien. Iedereen heeft zich zorgen gemaakt om [minderjarige] . De kinderrechter ook. Daarom heeft de kinderrechter een indringend gesprek met [minderjarige] gevoerd om haar duidelijk te maken welke risico’s slechte keuzes met zich mee brengen. [minderjarige] is een ambitieuze minderjarige. Zij weet wat zij wil en wil daarvoor gaan werken. De kinderrechter overweegt dat dit de beste bescherming is voor [minderjarige] : haar ambitie iets van haar leven te gaan maken en daarvoor te willen werken. Gelet op het gesprek ter zitting met [minderjarige] en ouders is duidelijk dat geen sprake is van schending van de familie-eer. [minderjarige] voelt zich veilig om naar huis te gaan. Dit betekent dat het verzoek tot uithuisplaatsing wordt afgewezen. De kinderrechter geeft [minderjarige] nog mee – zoals zij ook ter zitting heeft gedaan – dat van groot belang is dat [minderjarige] haar eigen identiteit gaat vinden, zeker nu zij leeft in twee culturen en daarin haar weg probeert te bepalen. Het is belangrijk dat [minderjarige] zich realiseert dat zij verstandige keuzes moet maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] haar diploma gaat halen en haar ambities najaagt. [minderjarige] heeft de kinderrechter beloofd niet meer te zullen weglopen en voor zichzelf te kiezen.
Al met al komt de kinderrechter daarmee tot een afwijzing van het verzoek.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de GI af, voorzover daar nog niet eerder op is beslist.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2025 door S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van M.L.G. van Mourik als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.