De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een zestienjarige minderjarige die zich onveilig voelde thuis en meerdere malen is weggelopen. De minderjarige zou mishandeld zijn door haar oudere broer, wat door de ouders wordt betwist.
De kinderrechter heeft de zaak op 28 mei 2025 behandeld in een zitting met gesloten deuren, waarbij ook de ouders, hun advocaat, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig waren. De minderjarige zelf gaf geen mening. De GI heeft aangegeven dat de minderjarige zich sinds december 2024 onveilig voelde en meerdere hulptrajecten, waaronder ambulante spoedhulp en cultureel sensitieve hulpverlening, niet tot terugplaatsing hebben geleid.
De kinderrechter concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat uithuisplaatsing noodzakelijk is. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 22 augustus 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.