Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:7838

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
C/10/696956 / JE RK 25-646
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens medische zorgbehoefte en opvoedzorgen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing in het ziekenhuis voor drie maanden, vanwege medische afwijkingen van de minderjarige en zorgen over het functioneren van de ouders, met name de moeder die een verstandelijke beperking heeft.

Tijdens de zitting voerden de ouders verweer en erkenden zij de eerdere zorgen, maar stelden dat de situatie verbeterd is en zij in staat zijn de zorg te dragen. Zij verzoeken om een kortere ondertoezichtstelling van zes maanden en afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en verleent deze voor zes maanden, mede vanwege het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer. De machtiging tot uithuisplaatsing in het ziekenhuis wordt voor drie maanden toegekend omdat de minderjarige niet bij de ouders verblijft.

De beslissing is direct uitvoerbaar en er wordt een vervolgzitting gepland om de voortgang te bespreken. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Ondertoezichtstelling voor zes maanden en machtiging tot uithuisplaatsing in het ziekenhuis voor drie maanden toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/696956 / JE RK 25-646
Datum uitspraak: 17 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Brouwer, kantoorhoudende te Rotterdam,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 31 maart 2025, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 2] (de opa moederszijde), [naam 3] (de oma moederszijde) en [naam 4] (de tante moederszijde).
1.4.
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Turkse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 5] , tolk in de Turkse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.5.
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI) is niet verschenen. De GI is wel juist opgeroepen, maar heeft zich kort voor de zitting afgemeld.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in het ziekenhuis.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een aanbieder van zorg, te weten het ziekenhuis, te verlenen voor de duur van drie maanden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Naar aanleiding van de zorgen vanuit het ziekenhuis heeft een raadsonderzoek plaatsgevonden. De Raad deelt de zorgen van het ziekenhuis. [minderjarige] is geboren met medische afwijkingen, waardoor hij – in ieder geval op dit moment – afhankelijk is van medische zorg. Er bestaan zorgen om het functioneren van de ouders, met name van de moeder. Bij de moeder is sprake van een verstandelijke beperking en het is onduidelijk in hoeverre de ouders leerbaar zijn met betrekking tot de medische zorg die [minderjarige] nodig heeft. Zij lijken deze medische zorg te bagatelliseren. De bestaande zorgen kunnen niet binnen het vrijwillig kader worden weggenomen. Een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar is nodig, zodat de situatie verder kan worden onderzocht en passende hulpverlening kan worden ingezet. De Raad vermoedt dat de bestaande zorgen niet op een kortere termijn verholpen kunnen worden. Zolang [minderjarige] in het ziekenhuis verblijft is naast de ondertoezichtstelling tevens een machtiging tot uithuisplaatsing nodig, omdat hij niet bij de ouders met gezag verblijft. Wanneer [minderjarige] uit het ziekenhuis wordt ontslagen is een machtiging tot uithuisplaatsing voor hem niet meer nodig, mits de moeder met [minderjarige] bij de oma moederszijde gaat wonen en aldaar hulpverlening kan worden ingezet. Dat zal tegen die tijd moeten worden bekeken.
4.2.
Door en namens de ouders wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder begrijpt dat er tijdens haar zwangerschap zorgen waren. De zwangerschap was in eerste instantie niet gepland. Samen met andere spanningen, zoals een operatie aan haar handen, zorgde dit ervoor dat moeder van streek raakte en er bij haar psychische problemen ontstonden. De moeder heeft om deze reden tijdens de zwangerschap alcohol gedronken, maar zij heeft hiervoor hulp gezocht bij de jobcoach die al bij haar betrokken was. De ouders geven aan dat van een dergelijke zorgelijke situatie geen sprake meer is. De moeder drinkt geen alcohol meer, dit is bevestigd door verschillende testen. Daarbij is de moeder in overleg met haar arts gestopt met het innemen van antidepressiva. De moeder voelt zich hierdoor beter. De ouders willen de kans om te laten zien dat zij goed voor [minderjarige] kunnen zorgen. Het klopt niet dat de ouders beperkt en niet leerbaar zijn. De beperking van de vader is niet op feiten gebaseerd. De vader heeft een studie in Turkije afgerond. Daarbij heeft de vader een cursus gevolgd, waardoor hij zelf de sondevoeding van [minderjarige] kan doen. Ook de moeder kan de sondevoeding van [minderjarige] doen. Daarnaast vragen zij aan het ziekenhuis geregeld om feedback, zodat zij beter worden in het verlenen van medische zorg aan [minderjarige] . De ouders staan achter het verlenen van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige] . Wel verzoeken zij de ondertoezichtstelling te verlenen voor een kortere duur dan is verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden en het overig verzochte aan te houden. Op dit moment is onduidelijk of er vanuit de GI een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Het verlenen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor een kortere duur zorgt ervoor dat er bij de GI druk op de ketel komt om daadwerkelijk stappen te ondernemen. Bovendien kunnen de ouders in deze periode bewijzen dat zij de zorg voor [minderjarige] zelfstandig kunnen dragen en kan een duidelijk veiligheidsplan worden opgesteld. Naast de ondertoezichtstelling is geen machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nodig. De ouders zullen [minderjarige] niet uit het ziekenhuis halen, totdat dit door de artsen veilig wordt geacht. De ouders verzoeken daarom om het verzoek van de GI af te wijzen, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij kan op basis van de huidige zorgen niet worden verwacht dat de ouders, nadat [minderjarige] uit het ziekenhuis wordt ontslagen, bij de oma mz gaan wonen. De ouders willen graag zelf voor [minderjarige] zorgen en achten zichzelf daartoe ook in staat.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er sprake is van een kwetsbare situatie. Er zijn zorgen geweest tijdens de zwangerschap van de moeder, maar ook daarna. [minderjarige] is geboren met medische afwijkingen, wat een extra opvoedvraag met zich meebrengt. De psychische problematiek en de verstandelijke beperking van de moeder maken dat bij de hulpverlening zorgen zijn ontstaan over het al dan niet kunnen aansluiten op deze extra zorgvraag van [minderjarige] . Daarbij is het onduidelijk in hoeverre de vader hiertoe in staat is. De kinderrechter ziet dat de ouders zijn omringd door een hechte familie, dat zij veel van [minderjarige] houden en hun best doen om goed voor hem te (leren) zorgen. Nu echter nog veel onduidelijk is, acht de kinderrechter het van belang dat de GI de aankomende periode betrokken raakt, zodat de situatie verder kan worden onderzocht en kan worden bekeken welke hulpverlening passend is.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter ziet aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlenen voor een kortere periode dan is verzocht, zodat tussentijds een vinger aan de pols kan worden gehouden. De kinderrechter weegt hierin mee dat de GI niet ter zitting is verschenen en dat op dit moment onduidelijk is of een vaste jeugdbeschermer voor het gezin beschikbaar is. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom verlenen voor de duur van zes maanden en het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.3.
Nu voor [minderjarige] een ondertoezichtstelling is verleend en [minderjarige] niet bij de gezaghebbende ouders verblijft, is voor [minderjarige] tevens een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. De kinderrechter is in dit kader van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het ziekenhuis daarom verlenen voor de duur van drie maanden.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de Raad om
uiterlijk een maandvoor de hierna te noemen zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de ouders en mr. J. Brouwer) te rapporteren over de stand van zaken en daarbij aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 17 april 2025 tot 17 oktober 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het ziekenhuis met ingang van 17 april 2025 tot 17 juli 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de behandeling voor het overig verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI, de ouders en mr. J. Brouwer zal plaatsvinden op
18 september 2025 om 09:30 uur, in het gerechtsgebouw te
Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125;
6.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de ouders en mr. J. Brouwer;
6.7.
verzoekt de Raad om uiterlijk een maand voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de ouders en mr. J. Brouwer) de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 29 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.