ECLI:NL:RBROT:2025:7657

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
30 juni 2025
Zaaknummer
11464895 CV EXPL 24-32928
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 238 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling pakketdiensten wegens ontbreken geldige opdracht

Eiseres heeft gevorderd dat gedaagde een bedrag van €1.792,50 betaalt voor het ophalen en verzenden van postpakketten tussen 22 mei 2023 en 30 juli 2023. Zij baseert haar vordering op een e-mail van 14 april 2023 waarin een haalservice werd bevestigd. Gedaagde betwist dat er een overeenkomst bestond voor de gehele periode en voert aan dat de opdracht niet concreet is onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat de enkele e-mail van vóór de factuurperiode onvoldoende bewijs biedt voor een doorlopende opdracht. Eiseres kon niet aantonen wie binnen het MyParcel-account de opdracht gaf, aangezien meerdere personen het account gebruikten. Ook is onduidelijk wat precies is opgehaald, omdat de facturen summier zijn en geen specifieke omschrijving bevatten. Daarnaast overlegt gedaagde een huurbeëindigingsovereenkomst waaruit blijkt dat zij sinds 30 juni 2023 niet meer op het afhaaladres gevestigd was.

Gelet op deze feiten concludeert de rechtbank dat eiseres niet heeft voldaan aan haar bewijsverplichting. De vordering wordt daarom afgewezen. De proceskosten worden aan eiseres opgelegd en begroot op €50,- voor de reis- en verletkosten van gedaagde.

Uitkomst: De vordering tot betaling van pakketdiensten wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een geldige opdracht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11464895 CV EXPL 24-32928
datum uitspraak: 4 juli 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] , h.o.d.n. [handelsnaam 1],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam 2],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 19 december 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met een bijlage.
1.2.
Op 5 juni 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] namens de gemachtigde van [eiseres] en [persoon B] namens [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiseres] stelt dat zij tussen 22 mei 2023 en 30 juli 2023 in opdracht van [gedaagde] postpakketten heeft opgehaald en verzonden. Hiervoor zou [gedaagde] € 1.792,50 verschuldigd zijn, maar dit bedrag is niet betaald. [eiseres] eist in deze procedure dat dat alsnog gebeurt, met vergoeding van rente en kosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. De vordering wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Grondslag
2.2.
Tussen partijen is in geschil of er een overeenkomst bestond voor het ophalen van pakketten in de periode van 22 mei 2023 tot en met 30 juli 2023. [eiseres] heeft als onderbouwing gewezen op een e-mail van 14 april 2023 waarin [persoon B] namens [gedaagde] de haalservice bevestigt. Deze e-mail laat zien dat [gedaagde] op enig moment akkoord is gegaan met de dienstverlening. Daarmee is echter nog niet vast komen te staan dat sprake was van een doorlopende opdracht voor de gehele gefactureerde periode. De e-mail dateert van vóór de factuurperiode en bevat geen vermelding van een herhaalservice of de looptijd van de opdracht.
2.3.
Omdat [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat er een opdracht is gegeven voor de gefactureerde periode, ligt het op de weg van [eiseres] om het bestaan van die opdracht voldoende concreet te onderbouwen. Daarin is zij niet geslaagd. Hoewel zij stelt dat de opdracht via het MyParcel-account van [gedaagde] is gegeven, heeft zij op de zitting toegelicht niet te weten wie die opdracht dan zou hebben gegeven. Het MyParcel-account werd namelijk niet alleen gebruikt door [persoon B] , maar ook door [persoon C] en [persoon D] . Daarmee blijft onduidelijk of daadwerkelijk een opdracht is gegeven voor de gefactureerde periode en door wie. Ook is niet duidelijk wat er precies zou zijn opgehaald. De facturen geven hierover geen uitsluitsel; ze zijn summier en bevatten geen specifieke omschrijving van de geleverde diensten of het aantal opgehaalde pakketten. Hierbij komt dat [gedaagde] een huurbeëindigingsovereenkomst overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat zij sinds 30 juni 2023 niet meer aan het gestelde afhaaladres was gevestigd. Een en ander betekent dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen. Aan nadere bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat haar reactie op het verweer daarvoor onvoldoende aanleiding biedt.
Proceskosten
2.4.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 50,-. Dit is een forfaitair bedrag dat bestaat uit de noodzakelijke reis- en verletkosten die [gedaagde] heeft moeten maken om op de zittingen te verschijnen (artikel 238 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot nu toe worden begroot op € 50,- aan reis- en verletkosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954