Verzoekster heeft op 13 mei 2025 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet tot een voorlopige voorziening die de ontruiming van haar huurwoning zou moeten voorkomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een bedreigende situatie, aangezien een vonnis tot ontruiming van 5 januari 2024 en een exploot van 23 april 2025 zijn overgelegd waarin ontruiming op 20 mei 2025 werd aangekondigd.
Verzoekster beschikt over een arbeidscontract voor onbepaalde tijd met een netto inkomen van circa €1.932 per maand en ontvangt daarnaast €309 huurtoeslag. Het beslag op haar inkomen is begin mei 2025 opgeheven en de huurtermijnen van mei en juni 2025 zijn voldaan. Verzoekster is voornemens beschermingsbewind aan te vragen en heeft een afspraak bij de gemeente.
Verweerster betoogt dat verzoekster haar betalingsverplichtingen niet nakomt en dat er geen vertrouwen is in tijdige betaling van de huur. De rechtbank weegt de belangen en oordeelt dat het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De voorlopige voorziening wordt onder de voorwaarde toegewezen dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan gedurende zes maanden vanaf 16 mei 2025. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn wordt afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.