Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw M. Ates, tolk;
- mevrouw [naam verweerster] , verweerster;
- mr. R.G. Vijlbrief, advocaat van verweerster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet (Fw), gericht op het schorsen van de ontruiming van zijn woonruimte. Hij betwistte het einde van de huurovereenkomst en beriep zich op verrekening vanwege uitgevoerde werkzaamheden. Tevens stelde hij dat beslagleggingen zijn betalingsmogelijkheden belemmerden en dat zijn verblijfsvergunning afliep, waardoor hij dringend woonruimte nodig had.
Verweerster voerde aan dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd en dat verzoeker zonder recht of titel verbleef. De kantonrechter had reeds op 11 april 2025 de ontruiming toegewezen en de huurachterstand vastgesteld. Verzoeker had geen hoger beroep ingesteld en geen bodemprocedure gestart.
De rechtbank oordeelde dat het moratorium ex artikel 287b Fw alleen kan worden verleend indien aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 305, tweede lid, Fw is voldaan: het ontruimingsvonnis moet uitsluitend op huurachterstand zijn gebaseerd en de lopende huur moet tijdig worden betaald. Deze voorwaarden waren niet vervuld, aangezien het vonnis gebaseerd was op het einde van de huurovereenkomst en verzoeker sinds 15 maart 2025 geen huur meer had betaald.
Daarom wees de rechtbank het moratoriumverzoek af. Tevens verklaarde zij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw niet-ontvankelijk omdat het minnelijk traject naar verwachting niet spoedig zou worden afgerond. Verzoeker kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Uitkomst: Het moratoriumverzoek wordt afgewezen en het verzoek tot schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.