Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] ( [land] ), eiseres
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de Minister
Rechtbank Rotterdam
Eiseres kreeg een boete van €2.500 opgelegd door de Minister van Landbouw wegens het vervoeren van onverwerkte varkensmest zonder een geldige gezondheidsverklaring. De controle vond plaats op 31 augustus 2023, waarbij het handelsdocument een geldigheidsdatum tot die datum vermeldde. Eiseres voerde aan dat de Minister niet bevoegd was de boete op te leggen omdat de Europese regelgeving geen geldigheidsduur van de gezondheidsverklaring kent.
De rechtbank oordeelde dat het legaliteitsbeginsel uit artikel 5:4 Awb Pro vereist dat een boetebevoegdheid expliciet in de wet of regelgeving moet zijn verankerd. De Europese verordeningen en de Nederlandse uitvoeringsregelgeving bevatten geen bepaling die een geldigheidsduur van de gezondheidsverklaring voorschrijft of een sanctie bij overschrijding daarvan mogelijk maakt. De Minister kon daarom niet op grond van de vermeende verstreken geldigheidsduur een boete opleggen.
De rechtbank verwierp het verweer van de Minister dat de geldigheidsduur gelijkgesteld kan worden aan het ontbreken van een gezondheidsverklaring en dat deze termijn voortvloeit uit eerdere, inmiddels vervallen regelgeving. Het ontbreken van een wettelijke grondslag maakt de boete onrechtmatig. Het beroep van eiseres werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Daarnaast werd de Minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de boete omdat de Minister niet bevoegd was deze op te leggen wegens schending van het legaliteitsbeginsel.