Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:7259

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
22 juni 2025
Zaaknummer
11475667 CV EXPL 25-73
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:207 BWArt. 7:225 BWArt. 7:248 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens langdurige huurachterstand

De huurder huurt sinds juni 2017 een woning en heeft een huurachterstand opgebouwd van € 26.805,51 tot en met mei 2025. Hoewel de huurder een beroep doet op opschorting van de huurbetaling vanwege gebreken en vochtproblemen in de woning, heeft hij geen verzoek tot huurprijsverlaging ingediend bij de Huurcommissie of de rechter, zoals voorgeschreven in artikel 7:207 BW Pro.

De kantonrechter oordeelt dat de volledige opschorting van de huurbetaling niet proportioneel is, omdat de gebreken niet zodanig ernstig zijn dat het woongenot volledig is weggevallen. Daarom blijft de betalingsverplichting bestaan en moet de huurachterstand worden voldaan.

De huurovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 6:265 BW Pro wegens de ernstige huurachterstand. De huurder moet de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen tot de dag van ontruiming. Daarnaast wordt de huurder veroordeeld tot betaling van wettelijke rente op de achterstand en de proceskosten, terwijl de vordering tot incassokosten wordt afgewezen vanwege niet-naleving van de wettelijke brieftermijn.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens huurachterstand, de huurder moet betalen en de woning ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11475667 CV EXPL 25-73
datum uitspraak: 19 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [plaats] ,
eiser,
gemachtigde: [gerechtsdeurwaarder] ,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 december 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen.
1.2.
Op 14 mei 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] , bijgestaan door mr. T. Roelofs, en [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 15 juni 2017 een woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning) van [eiser] . De huur is nu € 821,23 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiser] eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 26.805,51 betalen
2.2.
[gedaagde] erkent dat de huurachterstand tot en met de maand mei € 26.805,51 bedraagt. [gedaagde] is dit bedrag in beginsel verschuldigd aan [eiser] .
2.3.
[gedaagde] doet echter een beroep op opschorting, volgens hem hoeft hij niet te betalen omdat er (nog) steeds sprake is van een gebrek in de woning en achterstallig onderhoud waardoor hij geen huurgenot heeft. De benedenverdieping kan niet worden gebruikt vanwege vochtproblemen door een lekkage die niet geheel is opgelost. De bovenverdieping kan wel gebruikt worden, maar daar is de gevolgschade in de zin van schimmel op het plafond en de vloer en muren nog niet hersteld, aldus [gedaagde] .
2.4.
Als er sprake is van verminderd huurgenot vanwege een gebrek heeft de huurder de mogelijkheid een verzoek tot huurprijsverlaging in te dienen bij de Huurcommissie of de rechter te vragen om een vermindering van de huurprijs (artikel 7:207 BW Pro), voor de duur dat de gebreken niet worden verholpen. [gedaagde] heeft van beide mogelijkheden geen gebruik gemaakt, zodat hij verplicht blijft de gehele huur te betalen. Wat [gedaagde] wel heeft gedaan, is de betaling van de huur sinds maart 2023 volledig op te schorten, dus al die tijd voor 100%.
Een opschorting dient in redelijke verhouding te staan tot de ernst van de gebreken en het als gevolg daarvan verminderde woongenot. Naar het oordeel van de kantonrechter is een opschorting van 100% over een dergelijk lange periode niet proportioneel, ook niet als de door [gedaagde] geschetste gebreken juist zijn en volledig voor rekening van [eiser] komen. Een dergelijke opschorting zal alleen in uitzonderlijke gevallen (zoals bijvoorbeeld bij het onbewoonbaar verklaren van een woning waardoor er helemaal geen sprake kan zijn van huurgenot) van toepassing kunnen zijn, maar van een dergelijk ernstige situatie is hier geen sprake. [gedaagde] heeft dan ook ten onrechte de gehele huur opgeschort zodat hij dit bedrag nu alsnog moet betalen. De opschorting van een huurbetalingsverplichting leidt namelijk niet tot het vervallen van die betalingsverplichting. De gevorderde betaling van de huurachterstand zal dan ook worden toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.5.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.6.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 821,23 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). [eiser] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW Pro) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
[eiser] eist de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk niet betalen op basis van een handelsovereenkomst. Daarom wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW Pro.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.8.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [eiser] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen de in de wet genoemde termijn alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). In de brief van 2 mei 2023 die aan [gedaagde] is gestuurd staat een termijn die niet voldoet aan de wet (ECLI:NL:HR:2016:2704).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 732,- aan griffierecht, € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,-) en € 135 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.815,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 26.805,51 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf maart 2023 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 juni 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiser] te betalen € 821,23 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.815,72;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken.
745