De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2008 en 2014, vanwege zorgen over hun veiligheid en welzijn. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, weigert vrijwillige hulpverlening en houdt contact met een persoon die een veiligheidsrisico vormt.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de minderjarigen gehoord en konden betrokkenen reageren. De Raad en het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming benadrukten de noodzaak van gedwongen hulpverlening vanwege een onveilige en verwaarloosde thuissituatie, met meerdere escalaties en een gesloten gezinssysteem.
De moeder erkende de ondertoezichtstelling maar verzette zich tegen de uithuisplaatsing, stellende dat de situatie verbeterd was en zij openstaat voor hulp. De kinderrechter oordeelde echter dat de veiligheid van de minderjarigen nog niet gewaarborgd is en dat de hulpverlening onvoldoende van de grond komt.
Daarom werd de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar vastgesteld en de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden verleend, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Het doel is om toe te werken naar een veilige terugkeer naar de thuissituatie.