Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:6945

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
10/997251-19 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende aannemelijkheid van wederrechtelijk voordeel

De rechtbank Rotterdam behandelde op 5 juni 2025 de ontnemingsvordering tegen betrokkene, veroordeeld voor medeplegen van het verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 42.155,-, gebaseerd op een lagere schatting dan aanvankelijk vanwege verdeling met medeveroordeelden.

Tijdens de terechtzittingen op 6 december 2022, 18 januari 2023 en 22 mei 2025 is vastgesteld dat betrokkene samen met haar zoon betrokken was bij het laten verrichten van arbeid door personen met een lager dan wettelijk minimumloon en het niet afdragen van werkgeverslasten. Hoewel zij als medepleger is veroordeeld, is niet aannemelijk geworden dat zij persoonlijk voordeel heeft genoten uit deze baten.

De rechtbank oordeelt dat het ontnemingsbedrag niet het feitelijke voordeel van betrokkene weerspiegelt. De onderneming waar de arbeid werd verricht was van haar zoon, en er zijn onvoldoende aanwijzingen dat kostenbesparingen ook tot voordeel van betrokkene hebben geleid. Evenmin is aannemelijk dat zij voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten van medeveroordeelden.

Op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht wordt de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen. De rechtbank benadrukt dat het openbaar ministerie de bewijslast draagt om het voordeel aannemelijk te maken, hetgeen hier niet is gelukt.

Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat betrokkene voordeel heeft genoten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10/997251-19 (ontneming)
Datum uitspraak: 5 juni 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1969,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] te [postcode] [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat in Amsterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 december 2022, 18 januari 2023 en 22 mei 2025.

2.Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2025 is de betrokkene veroordeeld ter zake van het in haar strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:
medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij, en gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot, het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt.

3.Vordering van het openbaar ministerie

De ontnemingsvordering dateert van 4 november 2022 en strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 131.939,19 en dat aan de betrokkene een verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag.
Op de terechtzitting van 22 mei 2025 heeft de officier van justitie, mr. S.M. van der Kallen, gerekwireerd het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 46.838,- . Dat bedrag is lager dan uit de ontnemingsrapportage volgt, omdat de officier voor wat betreft [naam bedrijf 1] uitgaat van een verdeling tussen de betrokkene en medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] van respectievelijk 30% en 70% van dat wederrechtelijk verkregen voordeel en voor wat betreft [naam bedrijf 2] uitgaat van een verdeling tussen de betrokkene en medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] van respectievelijk 50% en 50%.
Ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft de officier gevorderd de betrokkene de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van € 42.155,-. Die voorgestelde lagere betalingsverplichting houdt verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

4.Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokkene geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de aan haar in de strafzaak ten laste gelegde strafbare feiten.

5.Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Artikel 36e Sr heeft een reparatoir karakter. Bij de schatting van het te ontnemen voordeel is het uitgangspunt dat de betrokkene in de vermogenspositie wordt gebracht waarin zij verkeerde vóór het plegen van het strafbare feit waaruit dat voordeel is genoten. Gelet hierop dient bij de bepaling van dat voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Hierbij rust op het openbaar ministerie de plicht om aan de hand van voldoende aanwijzingen aannemelijk te maken dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of voldoende aannemelijk is geworden dat het gevorderde ontnemingsbedrag daadwerkelijk het feitelijke voordeel van de betrokkene vormt.
De betrokkene is samen met haar zoon behulpzaam geweest bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland aan drie personen door hen arbeid te laten verrichten voor het bedrijf [naam bedrijf 2] . Deze mensen ontvingen hiervoor een salaris dat lager was dan het wettelijk minimumloon. Daarnaast werden werkgeverslasten niet afgedragen, waardoor kosten werden bespaard.
Hoewel de betrokkene is veroordeeld als medepleger van dit feit, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zij door middel van en/of uit de baten van het strafbare feit enig voordeel heeft genoten. De [naam bedrijf 2] was het bedrijf van de zoon van betrokkene, zoals wordt bevestigd door de inschrijving bij de kamer van koophandel. Dat de kostenbesparing van deze onderneming ook tot voordeel voor de betrokkene heeft geleid, is niet aannemelijk geworden.
Evenmin is aannemelijk geworden dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit de soortgelijke feiten die in het kader van de onderneming [naam bedrijf 1] zijn begaan, zoals opgenomen in het ontnemingsrapport. Deze onderneming werd geleid door medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] en er zijn onvoldoende aanknopingspunten waaruit volgt dat door voornoemde besparing van kosten daadwerkelijk voordeel terecht is gekomen bij de betrokkene.
De vordering wordt daarom afgewezen.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissing

De rechtbank:
wijst af de vordering van de officier van justitie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Daum, voorzitter,
en mr. W.J. de Veld en mr. A.C.M. Klaasse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dijk, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.