Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1],
1.De procedure
- de dagvaarding van 27 november 2023, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlage;
- de door partijen overgelegde (nadere) producties;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Eisers hebben jarenlang woningen gehuurd van gedaagde tegen geliberaliseerde huurprijzen met jaarlijkse huurverhogingen op basis van huurprijswijzigingsbedingen. Zij stelden dat deze bedingen oneerlijk en nietig waren en vorderden terugbetaling van teveel betaalde huur.
De kantonrechter beoordeelde de huurprijswijzigingsbedingen in de huurovereenkomsten van beide eisers. De bedingen bevatten indexeringsclausules gekoppeld aan de consumentenprijsindex (CPI) en een mogelijkheid tot huurverhoging tot het maximaal toegestane percentage. De rechter oordeelde dat deze bedingen duidelijk, begrijpelijk en niet onredelijk zijn geformuleerd. Ook het ontbreken van huurverlaging en de wijze van mededeling van huurverhogingen waren niet onredelijk.
Het beroep van gedaagde op gedeeltelijke verjaring van de vorderingen werd verworpen omdat het doeltreffendheidsbeginsel van de Richtlijn 93/13 moet worden geëerbiedigd en de vorderingen niet gedeeltelijk verjaard zijn. Gezien het ontbreken van onredelijke bedingen en onjuiste huurverhogingen, werd geconcludeerd dat er geen sprake is van onverschuldigde betalingen.
De vorderingen van beide eisers werden daarom afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter stelde de proceskosten vast op €1.765,- ten gunste van gedaagde.
Uitkomst: De vorderingen tot terugbetaling van teveel betaalde huur worden afgewezen wegens geldigheid van de huurprijswijzigingsbedingen.