Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
- verzoeker; en
- de rechter.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Op 28 april 2025 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij de civiele hoofdzaak over het beëindigen van het co-ouderschap van verzoeker en zijn ex-partner. De wrakingskamer beoordeelde of het afwijzen van een uitstelverzoek voor de mondelinge behandeling op 1 mei 2025 aanleiding gaf tot partijdigheid of de schijn daarvan.
De wrakingskamer oordeelde dat het plannen van de mondelinge behandeling en het afwijzen van het uitstelverzoek procesmatige beslissingen zijn die op zichzelf geen grond voor wraking vormen, tenzij deze onbegrijpelijk zijn en de schijn van vooringenomenheid wekken. In deze zaak was daarvan geen sprake.
Hoewel de wrakingskamer erkende dat de korte termijn tussen oproep en behandeling niet ideaal was en ook door de rechter werd erkend, leidde dit niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer wees het verzoek daarom af.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van partijdigheid of de schijn daarvan.