ECLI:NL:RBROT:2025:6134
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering wegens onduidelijke verblijfplaats
Verzoeker, een alleenstaande man van 36 jaar, heeft op 2 december 2024 een bijstandsuitkering aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees de aanvraag op 11 maart 2025 af omdat niet duidelijk was waar verzoeker precies in Rotterdam verbleef. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening toe te kennen zodat hij tot de beslissing op bezwaar bijstand zou ontvangen.
Tijdens de zitting op 1 mei 2025, waaraan de gemachtigde van het college deelnam, was verzoeker telefonisch niet bereikbaar ondanks meerdere pogingen. Verzoeker had aangegeven dakloos te zijn en wisselend te verblijven in het Kralingse Bos, in de auto van zijn broer of op het adres van zijn moeder, waar hij sinds 27 november 2024 staat ingeschreven. Het college erkent dat verzoeker in Rotterdam woont, maar wijst de aanvraag af vanwege het ontbreken van controleerbare gegevens over zijn precieze verblijfplaats.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, maar dat het college terecht de aanvraag afwijst omdat verzoeker onvoldoende informatie verstrekt over zijn verblijfplaats en niet meewerkt aan contact en afspraken. De rechter benadrukt dat een postadres niet volstaat en dat controleerbare gegevens essentieel zijn voor het recht op bijstand. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en verzoeker wordt geadviseerd contact op te nemen met de gemeente en mee te werken aan het verkrijgen van een briefadres.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de verblijfplaats van verzoeker.