ECLI:NL:RBROT:2025:6005

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
11450287 CV EXPL 24-31653
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Verdrag van Lugano IIIArt. 21 lid 1 Verdrag van Lugano IIIArt. 27 Verdrag van Lugano IIIArt. 28 lid 3 Verdrag van Lugano IIIArtikel 12 arbeidsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter in geschil over concurrentiebeding en ronselverbod

De zaak betreft een geschil tussen Laboratoire Naturel SA en [persoon A] over de geldigheid en schending van een concurrentiebeding en ronselverbod uit de arbeidsovereenkomst. Laboratoire eist betaling van € 206.400 wegens vermeende overtredingen, terwijl [persoon A] betwist dat deze bedingen rechtsgeldig zijn en stelt dat hij geen boetes verschuldigd is.

In een incident verzocht [persoon A] de Nederlandse rechter zich onbevoegd te verklaren, verwijzend naar een lopende Zwitserse procedure over een gerelateerd onderwerp. De rechtbank oordeelt dat de zaken niet dezelfde oorzaak of hetzelfde onderwerp hebben en dat het Verdrag van Lugano III bepaalt dat de rechter van het woonplaatsland van de werknemer bevoegd is, hier Nederland.

De rechtbank wijst het verzoek tot onbevoegdheid af, stelt dat het forumkeuzebeding niet geldig is omdat het niet na het ontstaan van het geschil is overeengekomen, en veroordeelt [persoon A] tot betaling van de proceskosten. De hoofdzaak wordt aangehouden en partijen worden uitgenodigd hun beschikbaarheid voor een zitting door te geven.

Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich bevoegd en wijst het verzoek tot onbevoegdheid af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11450287 CV EXPL 24-31653
datum uitspraak: 23 mei 2025
Vonnis van de kantonrechter in het incident
in de zaak van
Laboratoire Naturel SA,
vestigingsplaats: Etoy (Zwitserland),
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in reconventie, verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. dr. Wiebke Bonnet-Vogler,
tegen
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak, eiser in reconventie, eiser in het incident,
gemachtigde: mr. E. Akopova.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 2 december 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met een eis in reconventie en met een eis in het incident, met bijlagen;
  • het antwoord in het incident, met één bijlage.

2.De beoordeling

Waar gaat de hoofdzaak over?
2.1.
[persoon A] was van 1 september 2019 tot 21 februari 2023 bij Laboratoire in dienst als [naam functie] . Laboratoire eist nu dat [persoon A] € 206.400,00 aan haar betaalt omdat hij het concurrentiebeding (artikel 12 van Pro de arbeidsovereenkomst) en het ronselverbod (artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst) zou hebben overtreden, met rente en kosten. [persoon A] wil dat voor recht wordt verklaard dat het concurrentiebeding en ronselbeding niet rechtsgeldig zijn overeengekomen, er ook geen sprake is van schending van die bedingen en hij dus geen boetes hoeft te betalen of die moeten worden gematigd tot nihil.
Waar gaat het incident over?
2.2.
[persoon A] wil dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart, omdat:
  • er in Zwitserland al een zaak aanhangig is tussen partijen over hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak;
  • er in Zwitserland al een zaak aanhangig is tussen partijen die samenhangt met deze zaak;
  • er veel (andere) aanknopingspunten zijn voor bevoegdheid van de Zwitserse rechter.
Laboratoire voert gemotiveerd verweer.
De rechter ziet in geen van de genoemde punten aanleiding om zich onbevoegd te verklaren. Dat wordt hierna uitgelegd.
In het incident
2.3.
Beide partijen zijn het er over eens dat het Verdrag van Lugano III (hierna: ‘het verdrag’) bepaalt van welk land de rechter bevoegd is om deze zaak te behandelen. Zij verschillen van mening over welk land dat op basis van dit verdrag in dit geval is. Dat is Nederland. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.4.
De hoofdregel staat in artikel 20 van Pro het verdrag: de eis van de werkgever moet op het grondgebied van de woonplaats van de werknemer worden ingesteld. Er gelden in dit geval geen uitzonderingen.
2.5.
De zaken in Zwitserland en Nederland gaan niet over hetzelfde onderwerp en hebben ook niet dezelfde oorzaak (artikel 27 verdrag Pro). De zaak in Zwitserland gaat erover dat [persoon A] betaling van het loon tijdens de opzegtermijn eist. Laboratoire betwist de vordering met een beroep op verrekening met een bonus die tijdens het dienstverband aan [persoon A] is betaald, volgens Laboratoire onterecht. Subsidiair doet Laboratoire een beroep op verrekening met schadevergoeding door het schenden van het exclusiviteitsbeding: artikel 11 van Pro de arbeidsovereenkomst van 11 april 2021 (verbod op nevenwerkzaamheden). Hierover gaat het in de zaak in Nederland niet. De zaak in Nederland gaat namelijk over een beroep van Laboratoire op artikel 12 en Pro 13 van de arbeidsovereenkomst. Bovendien gaat het over de periode na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in Zwitserland over de periode tijdens het dienstverband.
2.6.
De stellingen van partijen in beide zaken zijn dus gebaseerd op andere afspraken en gaan over een andere periode waarin bovendien de rechtsverhouding tussen partijen verschilt. Hierdoor kunnen de zaken niet als samenhangend worden gekwalificeerd. Ook artikel 28 van Pro het verdrag biedt daarom geen grondslag voor onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Er bestaat namelijk niet zo’n nauwe band tussen de zaak in Zwitserland en die in Nederland dat een goede rechtsbedeling vraagt om ze gelijktijdig te behandelen en berechten om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (artikel 28 lid 3 verdrag Pro).
2.7.
Weliswaar staat er een forumkeuzebeding in de arbeidsovereenkomst, maar die is niet geldig. Die is namelijk niet gesloten na het ontstaan van het geschil en dat is voor geldigheid een vereiste (artikel 21 lid 1 verdrag Pro). Uit de gedragingen van de partijen na het ontstaan van het geschil kan niet worden afgeleid dat ze hebben afgesproken dat alleen de Zwitserse rechter bevoegd is.
2.8.
[persoon A] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Laboratoire op € 1.087,-.
In de hoofdzaak
2.9.
De kantonrechter wil de zaak met de partijen bespreken op een zitting.
De partijen krijgen op de zitting de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen. Ook stelt de kantonrechter vragen en onderzoekt of de partijen samen tot een oplossing kunnen komen.
2.10.
Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van de partijen. Daarom wordt nu eerst aan de partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de komende maanden zij echt niet naar een zitting kunnen komen. Ook wil de kantonrechter graag de e-mailadressen van de partijen ontvangen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In het incident
3.1.
wijst het verzoek van [persoon A] af;
3.2.
veroordeelt [persoon A] in de kosten van dit incident, die tot vandaag worden vastgesteld op € 1.087,-;
In de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de partijen uiterlijk op
woensdag 18 juni 2025moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden november 2025 tot en met februari 2026 zij echt niet naar een zitting kunnen komen en hun e-mailadres moeten opgeven;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
703