De rechtbank Rotterdam heeft op 4 maart 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie op 18 november 2024 in Rotterdam. De rechtbank achtte het ten laste gelegde feit bewezen op basis van de verklaring van de verdachte, politiebevindingen en laboratoriumonderzoek.
De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 61 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. De straf werd verminderd met de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht. De rechtbank motiveerde de straf mede vanwege het gevaar dat het bezit van vuurwapens met zich meebrengt en het eerdere strafblad van de verdachte.
Daarnaast werd gedeeltelijke tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uur, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Den Haag, terwijl een andere gevorderde tenuitvoerlegging van een taakstraf werd afgewezen. De verdachte moet zich houden aan diverse voorwaarden, waaronder medewerking aan reclasseringstoezicht, behandeling, begeleid wonen, onderwijs en schuldhulpverlening.
De rechtbank benadrukte dat het voorwaardelijke deel van de straf de verdachte de kans biedt zijn gedrag te verbeteren, ondersteund door de opgelegde voorwaarden en toezicht. De uitspraak weerspiegelt een combinatie van strafrechtelijke sancties en pedagogische maatregelen gericht op resocialisatie.