ECLI:NL:RBROT:2025:555

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2025
Publicatiedatum
20 januari 2025
Zaaknummer
C/10/687389 / JE RK 24-2194
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:261 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing ondertoezichtstelling wegens onherstelbare omgangsproblemen tussen minderjarige en vader

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht op 11 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van een minderjarige op te heffen. De minderjarige, geboren in 2011, was sinds 14 maart 2024 onder toezicht gesteld vanwege problemen in de omgang met haar vader.

Tijdens de zitting op 14 januari 2025 gaf de minderjarige aan geen omgang met haar vader te willen en voelde zij zich niet gehoord. De moeder stemde in met het verzoek tot opheffing, terwijl de vader het onbegrijpelijk vond en zijn inzet voor herstel van de omgang benadrukte.

De kinderrechter oordeelde dat ondanks hulpverlening en mediation het doel van de ondertoezichtstelling niet was bereikt. De minderjarige ervaart stress door de situatie en wil niet verder praten over omgang. Er zijn geen andere zorgen over haar welzijn. Daarom werd de ondertoezichtstelling per direct opgeheven en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt per 14 januari 2025 opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687389 / JE RK 24-2194
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 11 oktober 2024, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 maart 2024 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 maart 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] , opgedragen aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, op te heffen.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] heeft duidelijk aangegeven dat zij geen omgang met haar vader wil. Zij heeft niet het gevoel dat naar haar wordt geluisterd. Het is beter om de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] op te heffen, zodat zij in de toekomst zelf kan bepalen of zij de vader wil zien.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. Aan de vader is duidelijk uitgelegd waarom [voornaam minderjarige] geen omgang met hem wil. De vader blijft echter volhouden dat hij dit niet weet. Het lukt hem niet om zich in te leven in [voornaam minderjarige] . Ondanks de inzet van hulpverlening blijft [voornaam minderjarige] aangeven dat zij geen omgang met de vader wil. De moeder vreest dat [voornaam minderjarige] zich steeds meer zal verzetten wanneer de GI betrokken blijft om te werken aan de omgang tussen haar en de vader. Het is beter om de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] op te heffen, zodat [voornaam minderjarige] de ruimte krijgt om zelf te bepalen of zij de vader later wil zien. De moeder zal dit niet tegenwerken.
4.2.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De vader begrijpt niet waarom [voornaam minderjarige] geen omgang met hem wil. Nadat de relatie van de ouders was verbroken, verbleef [voornaam minderjarige] twee jaar lang om het weekend bij de vader. Tijdens de coronapandemie verbleef zij langer bij de moeder en sindsdien is de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader niet meer hersteld. De vader heeft destijds aangegeven hiertoe een rechtszaak te starten. Hij vreest dat [voornaam minderjarige] dit als een dreigement heeft ervaren. De vader begrijpt dat het voor kinderen niet goed is als veel instanties bij hen betrokken zijn. Echter, de vader vraagt zich af hoe de omgang tussen hem en [voornaam minderjarige] zonder de betrokkenheid van instanties kan worden hersteld. Hij heeft de afgelopen jaren altijd meegewerkt aan de inzet van hulpverlening. Ook stuurt hij regelmatig kaartjes naar haar.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI opheffen, indien de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW, niet langer is vervuld.
5.2.
Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat het de afgelopen jaren niet is gelukt om de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige] te herstellen, ondanks de inzet van hulpverlening (het Omgangshuis), mediation en het uitspreken van een ondertoezichtstelling. [voornaam minderjarige] blijft aangeven dat zij geen contact wil met haar vader. Vanuit de moeder en de GI wordt bevestigd dat er vanuit [voornaam minderjarige] te veel weerstand is om de aankomende periode nog te kunnen toewerken naar het herstellen van de omgang. [voornaam minderjarige] heeft zelf tegenover de kinderrechter aangegeven hierover geen gesprekken meer te willen voeren. Het doel waarmee [voornaam minderjarige] onder toezicht is gesteld is daarmee niet behaald, wat jammer is. De kinderrechter verwacht niet dat de ondertoezichtstelling de aankomende periode nog kan bijdragen aan het herstellen van de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat hier (binnen het gedwongen kader) niet meer op wordt aangestuurd, nu dit veel stress bij haar oplevert. Er zijn verder geen zorgen over [voornaam minderjarige] , zij doet het goed op school en bij moeder thuis gaat het ook goed.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat niet langer is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW Pro. De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] opheffen met ingang van heden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
heft de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] op met ingang van 14 januari 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 17 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.