Verzoekster diende op 22 januari 2025 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Tijdens de procedure bleek dat verzoekster een bankrekening niet had gemeld, waarop een aanzienlijk bedrag van bijna €8.000 was gestort, dat niet ten gunste van schuldeisers was gekomen. Dit werd als verwijtbaar gedrag beoordeeld, waardoor verzoekster niet te goeder trouw wordt geacht.
Daarnaast heeft verzoekster gedurende het minnelijke traject niet voldaan aan haar inspanningsverplichting om minimaal 36 uur per week te werken of hiernaar te solliciteren. Hoewel zij later verklaarde bereid te zijn fulltime arbeid te verrichten, acht de rechtbank dit onvoldoende aannemelijk. De rechtbank concludeert dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de verplichtingen uit de WSNP naar behoren zal nakomen.
Op grond van deze bevindingen wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Verzoekster wordt gewezen op de mogelijkheid om een nieuw minnelijk voorstel te doen of op een later tijdstip opnieuw een verzoek in te dienen, mits zij dan wel kan aantonen dat zij aan de inspanningsverplichting voldoet.