Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
Gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig”. Dit is anders dan in het dagelijks spraakgebruik, waarin onder parkeren veelal wordt verstaan ‘het neerzetten van een voertuig’. In die zin wijkt de definitie in de Verordening en de Gemeentewet daarvan dus af. “Ten tijde van het parkeren” ziet dus niet op het moment dat de huurder het voertuig heeft neergezet, maar op het moment dat de parkeercontroleur constateert dat sprake is van parkeren in de zin van de wet en Verordening. Dat betekent dat als het voertuig niet is verhuurd op het moment dat de parkeercontroleur constateert dat sprake is van parkeren zonder dat er parkeerbelasting is betaald de naheffingsaanslag niet via artikel 225, vijfde lid aanhef en onder b, van de Gemeentewet aan de eerdere huurder wordt opgelegd, maar aan de kentekenhouder.