De rechtbank Rotterdam behandelde de vordering van het openbaar ministerie tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) van de veroordeelde. Deze vordering werd ingediend omdat de veroordeelde tijdens zijn VI-periode is veroordeeld voor een ernstig misdrijf en zich niet aan de voorwaarden van het penitentiair programma hield.
De veroordeelde was eerder veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf in het onderzoek Tidore, waarvan de tenuitvoerlegging begon op 17 april 2012. Tijdens de uitvoering van deze straf werd hij in 2022 aangehouden in twee andere strafzaken (onderzoek Shoreham 1 en 2), waarbij hij in de laatste zaak op 25 maart 2025 werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor gewoontewitwassen.
Het openbaar ministerie stelde dat de veroordeelde zich ernstig heeft misdragen, wat blijkt uit de veroordeling en de overtreding van voorwaarden tijdens het penitentiair programma. De rechtbank oordeelde dat de vordering ontvankelijk was en dat de ernst van het misdrijf en de omstandigheden de volledige toewijzing van de vordering rechtvaardigen. De vordering tot het achterwege laten van de VI werd daarom toegewezen.