Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:5058

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 april 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
C/10/683586 / HA ZA 24-668
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 54 RVVArt. 5 WVWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering aansprakelijkheid verzekeraar na verkeersongeval in Rotterdam

Op 18 juli 2021 vond een aanrijding plaats op de ’s-Gravendijkwal in Rotterdam tussen een motor, bestuurd door eiser, en een auto, verzekerd door Achmea. Eiser stelt dat de automobilist onrechtmatig van rijbaan wisselde en hem aanreed, waardoor hij letsel en schade opliep. Eiser vordert onder meer aansprakelijkheid van Achmea, betaling van schadevergoeding, wettelijke rente, voorschot op immateriële schade en proceskosten.

Achmea betwist de aansprakelijkheid en stelt dat de automobilist de verplichte route volgde en dat het ongeval is veroorzaakt doordat eiser zijn motor niet tijdig tot stilstand bracht of onrechtmatig inhaalde. De rechtbank beoordeelt dat eiser de stelplicht en bewijslast draagt voor zijn stelling dat de auto vanaf de busbaan invoegde en hem aanreed.

De rechtbank concludeert dat de door eiser overgelegde stukken, waaronder getuigenverklaringen en proces-verbaal, geen bewijs leveren dat de auto vanaf de busbaan invoegde. Integendeel, de auto volgde de verplichte route. De vorderingen worden daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van € 4.295,00, te voldoen binnen veertien dagen, met een mogelijke verhoging bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens onvoldoende bewijs en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/683586 / HA ZA 24-668
Vonnis van 9 april 2025
in de zaak van
[eiser],
wonend in Rotterdam,
eiser,
advocaat mr. G.Z.U. Virágh te Bergen op Zoom,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd in Apeldoorn,
gedaagde,
advocaat mr. L. Hilhorst te Apeldoorn.
Partijen worden hierna [eiser] en Achmea genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 juli 2024, met producties 1 tot en met 10;
  • de conclusie van antwoord, met productie 1;
  • de oproepingsbrieven van de rechtbank van 25 november en 3 december 2024;
  • de akte houdende overlegging producties van [eiser], met productie 11;
  • de mondelinge behandeling gehouden op 24 februari 2025 en de daar door Achmea overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 18 juli 2021 heeft er op de ’s-Gravendijkwal in Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden tussen een motor, bestuurd door [eiser], en een auto, bestuurd door [naam] (hierna: de automobilist). Achmea is de WAM-verzekeraar van de auto.
2.2.
[eiser] en de automobilist reden in de richting van de Maastunnel. Op onderstaande (uitsnede van een) foto, die door [eiser] als productie 10 is overgelegd, is de (toenmalige) verkeerssituatie ter plaatse van het ongeval zichtbaar:
De weg had twee rijbanen. Nabij de plaats van het ongeval werd het verkeer van twee rijbanen naar één rijbaan geleid. Het verkeer werd eerst, door een geel verdrijvingsvlak op de linkerbaan, naar de rechterbaan geleid en vervolgens, door een geel verdrijvingsvlak op de rechterbaan, naar de linkerbaan. Vanaf dit laatste verdrijvingsvlak ging de rechterbaan over in een busbaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat Achmea aansprakelijk is voor het incident dat [eiser] is overkomen op 18 juli 2021 en in dat verband gehouden is om de daaruit voortvloeiende geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
2. voor recht te verklaren dat Achmea over de vordering van [eiser] gehouden is de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro te voldoen vanaf 18 juli 2021, althans vanaf de dag dat de verschillende schadeposten opeisbaar zijn, dan wel de dag van dagvaarding;
3. Achmea te veroordelen om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiser] een voorschot op de immateriële schade van € 5.000,- te betalen, althans een voorschot op de materiële en immateriële schade;
4. Achmea te veroordelen in de kosten van de behandelingen van [eiser], voor de medische informatie en de medisch adviseur voor het opstellen van het medisch advies;
5. een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige te benoemen, waarvan de kosten dienen te worden voldaan door Achmea;
6. Achmea te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. De auto reed rechts over de busbaan en voegde naar links in, waar [eiser] op de rijbaan reed. De auto heeft [eiser] bij het insturen met de linker achterkant geraakt, althans gehinderd. [eiser] is hierbij ten val gekomen. Hij heeft door het ongeval letsel opgelopen en schade geleden. Achmea is daarvoor aansprakelijk. De automobilist heeft hiermee immers een onrechtmatige daad gepleegd en artikel 54 RVV Pro en artikel 5 WVW Pro overtreden.
3.3.
Achmea voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
3.4.
Achmea voert daartoe, voor zover van belang, het volgende aan. Achmea betwist dat zij aansprakelijk is voor het ongeval en de door [eiser] gestelde toedracht daarvan. De automobilist heeft de verplichte route gevolgd: hij is door de S-bocht gereden en werd naar de linker rijbaan geleid. Toen de automobilist in de S-bocht naar links afboog, werd hij aan de linker achterzijde van zijn auto aangereden door [eiser]. Het ongeval is dus niet veroorzaakt doordat de automobilist van rijbaan zou zijn gewisseld, maar doordat [eiser] zijn motor niet tijdig tot stilstand kon brengen of doordat hij de auto wilde inhalen op een plek waar dat niet was toegestaan (via het verdrijvingsvlak). Het ongeval is dus veroorzaakt door [eiser] zelf.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen bestaat discussie over de toedracht van de aanrijding. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op [eiser], die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, de stelplicht en de bewijslast van zijn stelling dat de auto vanaf de busbaan invoegde en hem daarbij aanreed. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken overgelegd, waaronder een proces-verbaal en getuigenverklaringen. Uit voornoemde stukken blijkt echter niet dat de auto vanaf de busbaan invoegde. Integendeel: op de tekeningen in de getuigenverklaringen ging de auto al vóór het verdrijvingsvlak op de rechterbaan naar links. Wat overblijft is [eiser]’ verklaring (op zitting) over wat er is gebeurd. Daar staat tegenover dat Achmea ter onderbouwing van haar betwisting het door [eiser] ondertekende schadeformulier heeft overgelegd, waarin op de situatieschets zichtbaar is dat de auto de verplichte route volgde (en dus niet invoegde vanaf de busbaan). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] gelet op het voorgaande zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Daarom worden de vorderingen afgewezen.
Proceskosten
4.2.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden begroot op:
- griffierecht € 2.889,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief € 614,00)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.295,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.295,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar, rechter, bijgestaan door mr. S. van Leeuwen, griffier. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.
3726 / 3152