Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:4264

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
FT RK 25/285 - FT RK 25/286
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming wegens schuldhulpverlening

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet, waarmee zij gedurende zes maanden bescherming krijgt tegen ontruiming van haar huurwoning. De rechtbank constateert een bedreigende situatie omdat een ontruimingsvonnis van december 2024 ten uitvoer dreigt te worden gelegd.

Verzoekster toont aan dat zij is toegelaten tot schuldhulpverlening en dat budgetbeheer op korte termijn zal worden ingesteld, waardoor de betaling van de lopende huurtermijnen is gewaarborgd. Zij beschikt over voldoende inkomsten en heeft de huur van februari en maart 2025 reeds voldaan. Verweerster betoogt dat verzoekster niet te goeder trouw is en structureel wanbetaalt.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster bij uitvoering van het ontruimingsvonnis. De voorziening wordt onder de voorwaarde toegewezen dat de lopende termijnen tijdig worden betaald. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Uitkomst: Moratorium van zes maanden toegewezen en ontruiming van huurwoning geschorst onder voorwaarde tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 20 maart 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 19 februari 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 21 februari 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 12 maart 2025.
Ter zitting van 12 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. M. Raaijmakers, advocaat van verzoekster;
  • [naam], werkzaam bij Stichting De Leeuw van Putten, verweerster;
  • mr. S.F. Dik, gemachtigde van verweerster.
Mr. S.F. Dik heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Mr. M. Raaijmakers heeft namens verzoekster ter zitting aan de rechtbank en aan verweerster de beschikking van de toekenning van schuldhulpverlening laten zien.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wil een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij haar advocaat en bij de gemeente voor schuldhulpverlening. De gemeente Nissewaard zal haar hierbij helpen. De schuldhulpverlening zal op zeer korte termijn worden opgestart, waarbij ook budgetbeheer zal worden ingezet, zodat de betaling van de lopende huurtermijnen is gewaarborgd. Verzoekster ontvangt ongeveer € 2.800,00 aan inkomsten, bestaande uit arbeid in loondienst, kostgeld van haar inwonende meerderjarige dochter en toeslagen van de Belastingdienst. Zij heeft daarmee voldoende inkomsten om de maandelijkse huur van € 613,30 te voldoen. Bovendien heeft verzoekster de huur van in ieder geval februari 2025 en maart 2025 betaald. Binnenkort zal de budgetbeheerder de betaling van de huur en de overige vaste lasten overnemen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huurtermijnen voortaan tijdig en volledig worden voldaan.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij heeft daartoe (samengevat) het volgende gesteld. Verzoekster is niet gemotiveerd om aan haar schuldenproblematiek te werken. Verzoekster huurt de woning al vanaf januari 2023 en sinds mei 2023 is er altijd al een huurachterstand geweest. Verzoekster is daarom begin 2024 bij de gemeente aangemeld voor schuldhulpverlening, maar heeft kennelijk daar geen gebruik van willen maken. Daarnaast gaf verzoekster tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter op 18 oktober 2024 aan een goede baan te hebben waarmee zij naast de betaling van de huurtermijnen ook de huurachterstand in (zes) termijnen kon inlopen. Zij wilde dan ook een betalingsregelingsregeling met verweerster, maar van een (getekende) vaststellingsovereenkomst waarin die betalingsregeling is opgenomen, is het nooit gekomen. Verzoekster heeft zelfs helemaal geen aflossingen verricht, ondanks dat zij wel over voldoende inkomsten beschikt. Verzoekster is een structurele wanbetaler. Hier is dan ook geen sprake van het niet meer kunnen betalen van de schulden, maar van het niet willen betalen van de schulden. Dat maakt haar ook niet te goeder trouw bij het ontstaan of onbetaald laten van de schulden. Daarmee voldoet verzoekster dan ook niet aan de vereisten zoals omschreven in artikel 284 e.v. Fw en dat betekent dat een moratorium ook niet voor haar bedoeld is.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 5 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 februari 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 20 december 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft aangetoond dat zij is toegelaten tot schuldhulpverlening, dat budgetbeheer op zeer korte termijn zal worden ingesteld en dat zij voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen. Gebleken is verder dat de huur van in ieder geval februari 2025 en maart 2025 is betaald. Met budgetbeheer wordt bovendien vanaf heden gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen voortaan tijdig en volledig zullen worden voldaan. Verzoekster heeft hiermee blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 december 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], [postcode] [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
21 februari 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025.