Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlener).
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
20 februari 2025;
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om uitvoering van een vonnis tot ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De rechtbank constateert een bedreigende situatie nu de ontruiming gepland stond op 25 februari 2025.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de tijdige betaling van de huurtermijnen sinds november 2024, inclusief de huur van maart 2025, en de opstart van budgetbeheer, acht de rechtbank het aannemelijk dat de huur ook in de toekomst tijdig zal worden voldaan.
De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor een periode van zes maanden, met de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening en schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengen. De uitspraak is gedaan door rechter M.P. van Eeden-van Harskamp op 20 maart 2025.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.