De vrouw verzocht de rechtbank Rotterdam om het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen en het gezag uitsluitend aan haar toe te kennen. De procedure startte met een verzoekschrift ingediend op 12 maart 2024, waarna de mondelinge behandeling plaatsvond op 13 februari 2025. De man was opgeroepen maar verscheen niet.
Het huwelijk van partijen was in 2019 ontbonden en zij oefenden sindsdien gezamenlijk gezag uit over hun kind, die bij de vrouw woont. Partijen hadden een ouderschapsplan opgesteld waarin was opgenomen dat de man een weekend per veertien dagen zorg zou dragen, met de mogelijkheid van verhuizing naar de Verenigde Staten. De man is echter sinds 2019 onvindbaar en niet betrokken bij het leven van het kind.
De rechtbank constateerde dat er al ruim vijf jaar geen contact is tussen de man en de vrouw, noch tussen de man en de minderjarige. De man leidt een zwervend bestaan in de Verenigde Staten en is niet bereikbaar. Hierdoor kan hij zijn gezagsverplichtingen niet nakomen, wat problemen veroorzaakt bij de uitvoering van het gezag, zoals bij reizen en schoolzaken.
Op grond van gewijzigde omstandigheden en het belang van het kind oordeelde de rechtbank dat het gezamenlijk gezag moet worden beëindigd en het gezag aan de moeder moet worden toegekend. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. De beschikking is op 13 februari 2025 uitgesproken door kinderrechter S.A. van Egmond.