De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Rotterdam om een 7-jarige minderjarige onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling (GI) vanwege een onveilige opvoedomgeving met onder meer vaders verslavingsproblematiek en moeders psychische klachten.
Tijdens de zitting waren de ouders en hun advocaten aanwezig, maar de GI was niet aanwezig. De Raad handhaafde het verzoek en benadrukte de noodzaak van ondertoezichtstelling om de hulpverlening te waarborgen en het ouderschapsplan te monitoren.
De moeder voerde aan dat er geen financiële problemen zijn, dat er al hulpverlening is ingezet en dat een ondertoezichtstelling contraproductief zou zijn vanwege wachtlijsten bij de GI. De vader verzette zich niet tegen ondertoezichtstelling, mits de huidige hulpverlening kan worden voortgezet.
De kinderrechter oordeelde dat de ouders voldoende meewerken aan de noodzakelijke zorg en hulpverlening binnen het vrijwillig kader. De situatie is verbeterd, het ouderschapsplan wordt nageleefd en de minderjarige woont veilig bij de grootvader van moederszijde. De moeder ontvangt behandeling voor haar klachten en de vader is gemotiveerd voor verdere behandeling van zijn verslaving.
Gezien deze feiten werd het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen, met het vertrouwen dat de ouders de positieve lijn voortzetten en blijven samenwerken met de hulpverlening.