ECLI:NL:RBROT:2025:3384

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
11296414 CV EXPL 24-22561
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:43 BWArt. 237 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgpremie wegens juiste betaling volgens artikel 6:43 BW

De zaak betreft een geschil tussen ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V. en een gedaagde over de betaling van een zorgpremie. De gedaagde had de premie van januari 2024 niet tijdig betaald, maar maakte op 2 mei 2024 een bedrag over zonder specificatie van de maand. ASR rekende deze betaling toe aan april 2024 en vorderde alsnog de premie van januari 2024 met bijkomende kosten en rente.

De gedaagde stelde dat de betaling van 2 mei 2024 bedoeld was voor januari 2024. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 6:43 lid 2 BW Pro, bij gebrek aan specificatie, de betaling moet worden toegerekend aan de oudste opeisbare schuld, hier de premie van januari 2024. De omstandigheid dat ASR de vordering van januari 2024 had overgedragen ter incasso, maakt geen verschil.

Hierdoor is vastgesteld dat de gedaagde de premie van januari 2024 heeft voldaan en was de dagvaarding onterecht. De nevenvorderingen van ASR worden afgewezen. ASR wordt veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op € 50,- vanwege de aanwezigheid van de gedaagde bij zittingen.

Uitkomst: De vordering van ASR wordt afgewezen omdat de premie van januari 2024 door de gedaagde is betaald volgens artikel 6:43 BW.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11296414 CV EXPL 24-22561
datum uitspraak: 14 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
ASR BASIS ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,die handelt onder de naam Ik kies zelf van a.s.r.,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: mr. H.T.M. Blikman,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ASR’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 29 augustus 2024, met bijlagen;
  • het antwoord,
  • de repliek, met bijlagen;
  • de dupliek.

2.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekering bij ASR. Op grond van deze zorgverzekering is hij maandelijks bij vooruitbetaling een premie verschuldigd van € 172,20. [gedaagde] heeft de premie van de maand januari 2024 niet tijdig betaald. Wel heeft [gedaagde] op 2 mei 2024 een bedrag van € 172,20 overgemaakt naar ASR, zonder daarbij te vermelden voor welke maand premie dit bedrag was bedoeld. Dit bedrag heeft ASR aangemerkt als betaling voor de maand april 2024, waarvan de premie ook nog onbetaald was. ASR wil dat [gedaagde] de premie van de maand januari 2024, met kosten en rente betaalt. [gedaagde] heeft na de dagvaarding, op 16 september 2024, een bedrag van € 172,20 aan ASR betaald. ASR heeft daarom haar vordering met dit bedrag verminderd. [gedaagde] is het niet eens met de eis en stelt dat hij met de betaling op 2 mei 2024 de factuur van de maand januari 2024 heeft betaald.
2.2.
De eis van ASR wordt afgewezen. Hieronder wordt toegelicht hoe dit oordeel tot stand is gekomen.
[gedaagde] heeft de premie van de maand januari 2024 betaald
2.2.
[gedaagde] heeft bij de betaling van € 172,20 op 2 mei 2024 niet vermeld voor welke maandpremie deze betaling was bedoeld. Bij gebreke van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden, wordt deze betaling op grond van artikel 6:43 lid 2 BW Pro toegerekend op de oudste opeisbare verbintenis, dus de premie van de maand januari 2024. ASR voert aan dat zij de betaling van 2 mei 2024 heeft aangemerkt als betaling voor de maand april 2024 omdat zij op het moment van de betaling op 2 mei 2024 de vordering voor de maand januari 2024 al ter incasso had overgedragen. Dit maakt echter niet dat zij van artikel 6:43 BW Pro kan afwijken. Hiermee is vast komen te staan dat [gedaagde] met de betaling van 2 mei 2024 de premie van de maand januari 2024 heeft betaald. Aangezien ASR pas daarna specifiek deze maandpremie heeft gevorderd is [gedaagde] ten onrechte gedagvaard.
Dit betekent dat de door ASR gehandhaafde nevenvorderingen worden afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.3.
ASR wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vast op
€ 50,- aan reis-, verblijf- en verletkosten, omdat [gedaagde] op de rolzittingen van 18 september 2024 en 11 december 2024 is verschenen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt ASR in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot vandaag worden vastgesteld op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.
64039