Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaken tussen
[eiser], uit [plaats] , eiser,
[eiseres], handelend onder de naam [handelsnaam] , uit [plaats] , eiseres,
Rechtbank Rotterdam
Eiser was eigenaar van een eenmanszaak die door zijn dochter, eiseres, werd voortgezet. Eiser trad daarna in dienst bij eiseres en kreeg een ZW-uitkering toegekend. Het UWV onderzocht of sprake was van een dienstbetrekking en concludeerde dat er geen gezagsverhouding bestond, waardoor geen privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig was.
Eiser betwistte de conclusie maar kon dit niet onderbouwen met objectief bewijs. De rechtbank stelde vast dat het UWV op basis van het onderzoeksrapport terecht aannam dat sprake was van een gefingeerd dienstverband. De werkzaamheden en omstandigheden veranderden niet na de overdracht van de onderneming en er was geen opdracht van het bedrijf waarvoor eiser werkte aan eiseres.
De rechtbank verklaarde de beroepen van eiser ongegrond en het beroep van eiseres niet-ontvankelijk, oordeelde dat het UWV terecht de uitkeringen had ingetrokken en teruggevorderd en wees proceskostenvergoedingen af.
Uitkomst: De beroepen van eiser worden ongegrond verklaard en het beroep van eiseres niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.