De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds september 2024 onder toezicht staat. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt om verlenging met een jaar, waarbij de kinderrechter constateert dat de situatie sinds de vorige verlenging weinig is veranderd.
De ouders communiceren nog steeds niet constructief en wantrouwen elkaar, wat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt. Hoewel het contact tussen de minderjarige en haar vader verbeterd is en het ouderschapstraject van Enver in maart 2025 kan starten, is de noodzakelijke hulpverlening nog niet van de grond gekomen.
De moeder voert verweer tegen verlenging, stellende dat de ondertoezichtstelling geen meerwaarde meer heeft, terwijl de vader instemt met verlenging. De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria uit artikel 1:255 BWPro zijn vervuld en dat het te vroeg is om de ondertoezichtstelling te beëindigen gezien de aanhoudende zorgen.
De beschikking verlengt de ondertoezichtstelling tot 27 september 2025 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. De kinderrechter benadrukt het belang van een gestructureerde omgang en het monitoren van het ouderschapstraject door de GI.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 27 september 2025 en de beschikking is direct uitvoerbaar.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/685563 / JE RK 24-1959
Datum uitspraak: 10 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2].
1.Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 september 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De kinderrechter constateert dat er bij de mondelinge behandeling geen briefrapportage met de huidige stand van zaken aanwezig is, zoals is verzocht in de beschikking van 24 september 2024.
1.3.
Op 10 februari 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam].
2.De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 september 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met zes maanden, en wel tot 27 maart 2025. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.
3.Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans resteert een periode van zes maanden.
3.2.
De GI heeft het aangehouden verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Ten opzichte van september 2024 is er niet veel veranderd. Het lukt ouders nog steeds niet om met elkaar te communiceren en zij wantrouwen elkaar. Enver kan naar verwachting in maart 2025 starten met het ouderschapstraject. Er heeft het afgelopen half jaar drie keer omgang plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. Dat is vrij goed gegaan, waardoor deze omgang de komende tijd verder stapsgewijs uitgebreid zal gaan worden. Er zijn helaas twee omgangsmomenten niet doorgegaan. Er zijn recent nieuwe omgangsmomenten ingepland. Er zal gewerkt worden van begeleide naar onbegeleide omgang. De zorgen van de moeder over de veiligheid zijn begrijpelijk, maar daarom is het belangrijk dat de ouders goed in contact blijven. De GI heeft er op dit moment nog geen vertrouwen in dat de ouders de omgang zelf vorm kunnen gaan geven, zonder ondertoezichtstelling. Binnen een periode van drie maanden zal er een nieuwe jeugdbeschermer aan het gezin worden toegevoegd.
4.De standpunten
4.1.
De vader is het eens met het verzoek. De vader is tevreden met het huidige verloop van de ondertoezichtstelling. Het was heel fijn dat de vader [minderjarige] na lange tijd weer heeft kunnen zien. De vader zou [minderjarige] graag vaker zien en hoopt dan ook dat het traject van Enver snel kan starten. De vader voelt zich er op dit moment nog niet prettig bij om zijn adres te delen met de moeder, nu dat in deze fase nog niet nodig is.
4.2.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het aangehouden verzoek. Het verzoek is eerder aangehouden om vinger aan de pols te houden, maar er is het afgelopen half jaar feitelijk niets gebeurd. De moeder heeft slechts één keer contact gehad met de jeugdbeschermer en een briefrapportage met de actuele stand van zaken ontbreekt. Pas een week geleden heeft de moeder een bericht van de GI ontvangen dat de omgang met de vader weer voortgezet gaat worden, terwijl dat sinds begin december heeft stilgelegen. Anderhalf jaar na de start van de ondertoezichtstelling is hulpverlening nog steeds niet gestart. Beide ouders staan achter het traject van Enver. Een ondertoezichtstelling is daar niet voor nodig en heeft geen meerwaarde meer. De moeder staat ook achter de omgang met de vader, mits de veiligheid gegarandeerd kan worden. Het delen van de adresgegevens van vader hoort daarbij.
5.De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat [minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen zijn nog altijd gelegen in de strijd tussen de ouders. Na al die jaren lukt het hen niet om op een constructieve wijze over [minderjarige] te communiceren. Ook is er sprake van wederzijds wantrouwen en verwijten. De noodzakelijke hulpverlening hiervoor is nog niet gestart. Wel is er een aanmelding bij Enver gedaan en is de verwachting dat hiermee in maart 2025 gestart kan worden. Hoewel het met [minderjarige] goed gaat en zij geniet van het contact met beide ouders, is in de problematiek tussen de ouders zelf in het afgelopen half jaar weinig tot niets veranderd. De vraag die voorligt is of daaraan de conclusie moet worden verbonden dat de ondertoezichtstelling geen verdere meerwaarde meer heeft voor de komende maanden. De kinderrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Hoewel het betreurenswaardig is dat er in de communicatie tussen de ouders nog geen stappen zijn gezet, is het te voorbarig om de ondertoezichtstelling in deze fase te beëindigen. De zorgen zijn immers nog aanwezig. Het ouderschapstraject van Enver zal naar verwachting op korte termijn starten. Hoewel het positief is dat beide ouders achter dit traject staan, kan nog niet met zekerheid worden gezegd of dit traject positief zal verlopen. Het is wenselijk dat de GI (de start van) het traject monitort. Daarnaast heeft de kinderrechter, evenals de GI, er onvoldoende vertrouwen in dat het de ouders met deze stand van zaken zelfstandig lukt om de omgang tussen [minderjarige] en de vader vorm te geven en voort te zetten. De zorgen van de ouders over en weer zijn immers nog niet weggenomen. Tussenkomst van de GI hierin is dan ook nog noodzakelijk. De kinderrechter geeft partijen daarin mee dat een structurele opbouw met heldere data en afspraken voor [minderjarige] het prettigst is. Zij heeft behoefte aan duidelijkheid. Een situatie waarin de omgang opnieuw voor langere periode stil komt te liggen, is niet in haar belang. Ouders zullen daarin constructief moeten meebewegen voor wat betreft hun wensen en zorgen.
5.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende duur van zes maanden. [1]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 27 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.